• Buro Jansen & Janssen, gewoon inhoud!
    Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, overheid in Nederland en de EU kritisch volgt. Een grondrechten kollektief dat al 40 jaar, sinds 1984, publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, veiligheid in breedste zin, bevoegdheden, overheidsoptreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Migratie

  • Politieklachten

  • Bijlage VI – 12.5 Conclusies

    12.5 Conclusies

    1 Van de zijde van het ministerie van Justitie is niet of
    nauwelijks bij het openbaar ministerie gevraagd naar het gebruik
    van opsporingsmethoden en de daarbij ondervonden problemen, ondanks
    het feit dat enkele ambtenaren hiervoor de aandacht hebben
    gevraagd.

    lees meer

    Bijlage VI – 4.4 Samenwerking

    4.4 Samenwerking

    4.4.1 Samenwerking tactische recherche-eenheden van
    verschillende regiokorpsen

    De regionalisering van de politie lijkt goeddeels een einde te
    hebben gemaakt aan de veelvuldige ad hoc verbanden waarin
    recherche-afdelingen van verschillende korpsen onderzoeken
    aanpakten. Onderzoeken door gecombineerde teams van centrale
    tactische recherche-afdelingen uit verschillende regiokorpsen zijn
    minder noodzakelijk dan vroeger. De regionale rechercheteams zijn
    van een behoorlijke omvang en kunnen meestal ook nog putten uit
    recherchecapaciteit bij de districten. Voor grote,
    regio-overschrijdende onderzoeken zijn bovendien kernteams
    werkzaam.

    lees meer

    Bijlage VI – 6.6 Samenwerking

    6.6 Samenwerking

    Kernteams worden geacht zelfstandig en herkenbaar georganiseerd
    te zijn. Kernteam-zaken betreffen vaak complexe onderzoeken naar
    georganiseerde criminaliteit, waarbij de politie, ook intern, een
    zekere mate van geheimhouding wil garanderen. Dit is bijvoorbeeld
    begrijpelijk als van de onderzochte criminele groep verwacht wordt
    dat deze corrumptieve contacten aangaat. Zowel de organisatievorm
    van de kernteams als de aard van hun onderzoeken leiden ertoe dat
    informatie zodanig vertrouwelijk is dat deze zeer beperkt wordt
    uitgewisseld.

    lees meer

    Bijlage VI – 8.6 Conclusies

    8.6 Conclusies

    1 De BVD verricht niet op eigen initiatief onderzoek naar
    strafbare feiten. 2 De BVD beschikt niet over een inventarisatie
    van gevallen waarin de georganiseerde criminaliteit de integriteit
    van de overheid bedreigt.

    lees meer

    Bijlage VII – II.3. Besluit

    II.3. Besluit

    Tot besluit van dit hoofdstuk is het aangewezen om de definitie
    van georganiseerde criminaliteit die in de vorige paragraaf werd
    ontwikkeld, te situeren in de discussie die in Nederland is gevoerd
    over deze kwestie. De ene hoofdlijn in deze discussie betreft de
    vraag of georganiseerde criminaliteit primair moet worden
    gedefinieerd in termen van de maatschappelijke functies en belangen
    die zij vervult respectievelijk dient, dan wel in termen van de
    groepen die dergelijke criminaliteit plegen. Hiervoor is niet
    alleen duidelijk gemaakt dat in dit onderzoek is gekozen voor de
    tweede optie, maar ook waarom deze keuze is gemaakt. De andere
    hoofdlijn in die discussie draait om de kwestie of georganiseerde
    criminaliteit het best op een algemene, open manier wordt
    gedefinieerd, dan wel op een bijzondere, meer gesloten manier.
    Hiervoor is duidelijk
    gekozen voor de laatste benadering, omdat anders de term
    georganiseerde criminaliteit al te zeer aan betekenis inboet, dus
    een betekenisloze term wordt, die al te gemakkelijk op alle
    mogelijke soorten criminaliteit wordt geplakt. Zeker met het oog op
    empirisch onderzoek is het nodig dat zo specifiek mogelijk wordt
    bepaald wat onder georganiseerde criminaliteit wordt verstaan. Maar
    ook vanuit een oogpunt van beleid is dit wenselijk. Gezien de
    negatieve lading die de term georganiseerde criminaliteit doorgaans
    heeft, kan een ongebreidelde toepassing van deze term gemakkelijk
    beleidsontwikkelingen teweegbrengen die niet in verhouding staan
    tot de werkelijke ernst van het probleem.

    lees meer

    Bijlage VII – V.3. Het transport over de weg, over zee en via de lucht

    V.3. Het transport over de weg, over zee en via de
    lucht

    De geografische ligging van Nederland heeft gevolgen voor de
    aard en de omvang van de georganiseerde criminaliteit in Nederland.
    De uitstekende transportverbindingen en de aanwezigheid van enkele
    vitale transportknooppunten van diverse internationale
    handelsroutes, de haven Rotterdam en de luchthaven Schiphol, bieden
    internationale smokkelaars de mogelijkheid hun illegale waar naar
    de gewenste plaatsen te vervoeren. De smokkelwaar, waaronder drugs,
    wapens, gestolen auto’s, gevaarlijk afval, bedreigde dieren- en
    plantensoorten, is verstopt in de massale goederenstromen die over
    de weg of via beide havens dagelijks Nederland binnen worden
    gebracht. Er wordt door de (inter)nationale georganiseerde
    criminaliteit gewoon geprofiteerd van de aanwezige infrastructuur
    in ons land.

    lees meer

    Bijlage VII – VIII.2. Een aantal zorgelijke kwesties

    VIII.2. Een aantal zorgelijke kwesties

    Het feit dat het op dit moment moeilijk, en in bepaalde
    opzichten zelfs onmogelijk, is om in algemene zin de ernst van de
    situatie op een adequate manier precies te bepalen, impliceert
    geenszins dat er niets zou kunnen worden gezegd over een aantal
    aspecten van de (aard van de) tegenwoordige georganiseerde
    criminaliteit in Nederland die als zorgwekkend betiteld kunnen
    worden. Uitgaande van de hier gehanteerde definitie van
    georganiseerde criminaliteit is dit namelijk heel goed mogelijk.
    Want waar gaat het volgens deze definitie in essentie om bij
    georganiseerde criminaliteit? Uiteindelijk om de vreedzaamheid van
    een maatschappij, om de integriteit van de democratische
    rechtsstaat, de vrijheid van het economisch leven en de rechten van
    individuele burgers. En dus kan worden nagegaan of zich momenteel
    in de sfeer van de georganiseerde criminaliteit ontwikkelingen
    voordoen die deze algemene waarden in het gedrang brengen of zouden
    kunnen brengen. De kwesties waarover men zich op grond van het
    onderhavige onderzoek zorgen over moet maken, kunnen – conform de
    opeenvolgende componenten van de definitie van georganiseerde
    criminaliteit – als volgt worden samengevat.

    lees meer

    Bijlage VIII – 4.3. De Hells Angels

    4.3. De Hells Angels: een netwerk apart

    Hierboven – bij de beschrijving van twee netwerken die actief
    zijn in de produktie van synthetische drugs – kwam al naar voren
    dat n van deze netwerken een deel van de amphetamine verkocht aan
    Hells Angels in Amsterdam, die dat dan weer onmiddellijk
    doorverkochten naar Engeland. Wat bij de bespreking van het andere
    netwerk niet werd aangestipt, maar hier wel moet worden gemeld, is
    dat een bepaalde hoeveelheid van de illegaal ingevoerde
    grondstoffen, via omwegen in Brabant, ook terecht kwam bij de Hells
    Angels in de hoofdstad. Geconfronteerd met zulke feiten, moet men
    zich wel de vraag stellen wat de rol van de Angels in de
    georganiseerde criminaliteit is.

    lees meer

    Bijlage VIII – Woord vooraf

    Woord vooraf

    Over de vraag in hoeverre gevestigde etnische minderheden met
    politie en justitie in aanraking komen, is sedert de opheffing van
    de samenzwering van zwijgzaamheid naar aanleiding van de discussie
    over een Amsterdams rapport over Marokkaanse straatroof in 1989
    zeer veel geschreven, maar in die literatuur wordt geen aparte
    aandacht besteed aan de mate waarin etnische minderheden betrokken
    zijn bij de zware en georganiseerde criminaliteit. Komt de
    lucratieve georganiseerde misdaad in deze kring eigenlijk wel voor
    of bevinden de allochtonen zich ook in dit opzicht onder aan de
    criminele ladder aangezien zij vooral worden aangehouden voor
    lichte en niet winstgevende vergrijpen? Zijn op Nederlands
    grondgebied transnationale criminele organisaties actief (vergelijk
    de mafia) die in zoverre van uitheemse herkomst zijn dat zij vanaf
    elders worden aangestuurd? Politie en justitie weten hier naar
    verhouding weinig van af en dat komt onder andere doordat deze
    groepen moeilijk benaderbaar zijn en ook omdat zij geneigd kunnen
    zijn hun geschillen af te doen in de beslotenheid van hun eigen
    milieu. Voor zover zij er iets over weten, leggen hun
    vertegenwoordigers een zekere terughoudendheid aan de dag, omdat
    het taboe dat er op dit type misdaad rust nog grotendeels intact is
    en niemand dat graag doorbreekt. Ook ingeburgerde immigranten die
    ons erover zouden kunnen berichten weten soms maar weinig over hun
    onderwerelden af en voor zover zij ervan weten, bestaat bij hen de
    begrijpelijke angst dat openhartigheid hun hele groep in diskrediet
    kan brengen. Zonder deskundig commentaar uit deze kring zou het
    evenwel niet eenvoudig zijn geweest om de grote hoeveelheid
    feitelijk materiaal die wel bij de politie aanwezig is en die wij
    hier, net als bij alle rapporten over aard, omvang en ontwikkeling
    van de georganiseerde misdaad ten behoeve van de Enqutecommissie,
    tot uitgangspunt nemen van onze analyse, in volle omvang te
    doorgronden. Uitingen van georganiseerde misdaad in allochtone
    gemeenschappen in Nederland zijn moeilijk te begrijpen zonder dat
    insiders iets vertellen over de politieke context waarbinnen deze
    criminaliteit tot bloei kwam in het land van herkomst, over de
    economische belangen die ermee zijn gemoeid en over de manifestatie
    ervan binnen de etnische gemeenschap hier te lande.

    lees meer

    Bijlage VIII – IV.2. De ontwikkeling van de georganiseerde misdaad in Marokko

    IV.2. De ontwikkeling van de georganiseerde misdaad in
    Marokko

    De opkomst van de georganiseerde misdaad in Marokko is niet te
    begrijpen als we niet weten dat een zeer groot gedeelte van de
    Marokkaanse staatshuishouding zich afspeelt in de grijze en zwarte
    zones van de zogenaamde informele economie. Deze term staat voor
    alle bedrijvigheid die niet officieel is geregistreerd en geteld,
    maar die desondanks veel werkgelegenheid verschaft. Marokko geldt
    in de eerste plaats als een agrarisch land, dertig procent van de
    bevolking vindt er werk in de landbouw. De industrie is weinig
    ontwikkeld en biedt weinig werkgelegenheid. Het klinkt vreemd in
    Westerse oren, maar zoals in veel landen van de Derde Wereld vormt
    de informele economie in feite de belangrijkste economische sector.
    Er bestaan schattingen dat de staatshuishouding daar voor de helft
    van het Bruto Nationaal Produkt op drijft. Behalve de verbouw van
    en handel in hash, zijn in deze informele sector activiteiten
    aanwijsbaar die wij zonder meer tot het terrein van de
    georganiseerde misdaad mogen rekenen. Vanuit Marokko wordt op
    uiteenlopende manieren aan mensensmokkel gedaan. Er worden met
    vissersboten en kleine scheepjes tegen betaling (van bijvoorbeeld
    f.3.000,-) illegale trekarbeiders of emigranten de veertig
    kilometer overgezet die Europa en Afrika van elkaar scheiden ter
    hoogte van de Straat van Gibraltar. Er zijn berichten dat de
    Italiaanse mafia hierbij is betrokken en dat leden van de kustwacht
    in Marokko en Spanje zijn omgekocht om deze menselijke vrachten
    door te laten. Deze mensen zoeken werk in de tuinbouw en de oude
    takken van industrie in Spanje en Itali. Er worden vrouwen
    uitgevoerd om als prostitue te werken. Voorheen was hun markt te
    vinden in Saoedi-Arabi en andere rijke Golfstaten, maar mede op
    aandrang van de orthodoxe beweging in de Islam om dit te stoppen,
    wordt dit verkeer nu in de richting van Spanje en Frankrijk en
    noordelijker gedirigeerd. Met deze vormen van mensenhandel gaat een
    levendige produktie en handel in valse reisdocumenten gepaard.
    Voorts is sprake van georganiseerde autodiefstal uit Europa. Tussen
    de reusachtige stroom gemotoriseerde Marokkaanse vakantiegangers
    valt een enkel gestolen exemplaar nauwelijks op. Vooral in Spanje
    en Itali zijn Marokkaanse bendes op dit terrein actief; daar worden
    ook de papieren vervalst. In april heeft de Spaanse politie twee
    bendes opgerold, waarvan er overigens n bestond uit vier
    Nederlanders en een Brit. De georganisiseerde misdaad in Marokko is
    verder actief in alle mogelijk vormen van smokkel. Smokkelen vormt
    trouwens ook voor andere ondernemende individuen een bron van
    inkomsten zoals iedereen aan de grens zelf gemakkelijk kan
    waarnemen. Via de twee kleine vrijhandelszones in het noorden
    (Ceuta en Melilla) en via de Canarische eilanden in het Zuiden van
    het land worden Amerikaanse sigaretten en hifi-apparatuur
    binnengesmokkeld zonder dat de verschuldigde belasting wordt
    betaald en er is ook al een zwarte markt voor nieuwe, en voor
    tweedehands kleding en voor vers, maar zelfs ook voor overjarig
    voedsel in conservenblikjes. In Marokko zijn verder zwarte markten
    voor wapens, goud en buitenlandse geld. Marokko kende in de loop
    van 1994 en 1995 een reeks belangrijke fraudeschandelen en dan gaat
    het onder andere om ambtenaren die voor eigen rekening door de
    Verenigde Naties geschonken graan aan boeren verkochten
    (Derro-project, 1993); de directeur van een dochteronderneming van
    Royal Air Maroc die in 1995 werd aangehouden op verdenking van het
    verduisteren van grote bedragen die gemoeid waren bij het tot stand
    komen van koopcontracten met Duitse en Turkse bedrijven;
    medewerkers van de Algemene Bank Marokko (een filiaal van ABN-AMRO)
    die grote financile transacties zouden hebben gepleegd ten koste
    van het Amerikaanse autobandenbedrijf Goodyear. Deze voorbeelden
    van georganiseerde misdaad en fraude in Marokko zijn echter
    kinderspel vergeleken bij de handel in cannabis en in toenemende
    mate ook hard drugs. Nederland is daarbij als importland (het
    belangrijkste?) van vitale betekenis. Hoe valt die ontwikkeling te
    verklaren? We willen over drie specifieke voorwaarden iets zeggen:
    (a) de rentabiliteit van de cannabis-verbouw, (b) de losbandige en
    autonome traditie van het herkomstgebied en (c) de ontwikkeling van
    de emigratie. Eerst (a): de teelt van het produkt. De boeren in een
    klein gebied in het Noorden (Beni-Khaled of Ketama) dat ongeveer
    100 kilometer ten Zuidwesten ligt van de plaats Al Hoceima – dit
    ligt in de streek waar de gastarbeiders naar Nederland vandaan
    komen – telen reeds meer dan tien eeuwen cannabis ten behoeve van
    een bescheiden binnenlands gebruik. Koning Hassan I heeft het in
    1890 met zoveel woorden toegestaan in vijf dorpen in dit gebied.
    Toen de noordelijke zone van Marokko in 1912 onder Spaans beheer
    kwam, legde het koloniale bestuur deze boeren geen strobreed in de
    weg. In deze ruige streek van het hoge Rif-gebergte leveren de
    verbouw van gerst, de opbrengst van fruitbomen, de teelt van geiten
    en de produkten van bosbouw (hout, kurk, houtskool) te weinig op om
    een zeker bestaan te lijden. Er zijn dan ook regelmatig
    hongersnoden in dit gebied uitgebroken, nog in 1944/45 verloor een
    vijfde tot een kwart van alle bewoners van de Centrale Rif het
    leven (De Mas, 1995). Hash vormt een hoognodige en zekere
    aanvulling van het inkomen, want dat wil ook in droge jaren nog wel
    groeien. In het gebied waar De Mas reeds jarenlang onderzoek
    verricht, heeft hij geconstateerd dat waar de bevolking in 1972 nog
    voor 3 5 procent van haar inkomsten van de teelt van cannabis
    afhankelijk was, dit percentage nu (1993) is gestegen tot 25 30%.
    In Marokko worden drie groepen van hash-produkten onderscheiden.
    Kif is de
    Berberse benaming van de plant zelf in het Marokkaans. Ze wordt
    gedroogd en ruim een jaar bewaard voor verdere bewerking. Sjiera is
    het poeder dat bij het dorsen van de gedroogde plant achterblijft.
    Hiervan wordt de beste kwaliteit cannabis, de zogenaamde 00 (double
    zro) vervaardigd. Cannabis-olie wordt gemaakt door de sjiera-poeder
    met zuivere alcohol op te lossen en verder te bewerken. Ofschoon
    strijdig met de godsdienstige voorschriften, voor Marokkaanse
    producenten en consumenten is hash heel gewoon: goede handel en een
    prettig genotmiddel. Kif werd gerookt door oude mannen,
    thans wordt dit op veel plaatsen ook voor jongeren gedoogd. Het
    verbod in Europa komt de meeste betrokken Marokkanen als
    merkwaardig voor. Of liever als buitenkans, want dankzij de
    strafbaarstelling kan de prijs worden opgedreven. Deze houding
    levert de huidige drugshandelende Marokkanen ook in Nederland de
    neutraliseringstechniek op die nodig is de morele grens naar het
    plegen van strafbare feiten over te steken. Waarom zouden zij dit
    onschuldige produkt niet leveren op een grote koopkrachtige
    markt?

    lees meer

    Bijlage VIII – I.2. De maatschappelijke legitimiteit van nader onderzoek

    I.2. De maatschappelijke legitimiteit van nader
    onderzoek

    Onderzoek naar georganiseerde criminaliteit door buitenlandse en
    allochtone groepen is een gevoelige aangelegenheid. Het kan, als er
    niet zorgvuldig mee wordt omgegaan, gemakkelijk voedsel geven aan
    racistische vooroordelen en politieke organisaties die
    vreemdelingenhaat kapitaliseren in de kaart spelen. Dat dit geen
    loze bewering is, werd hiervoor al aangegeven. In de Verenigde
    Staten, vanwaar veel criminologische inzichten afkomstig zijn, is
    de georganiseerde misdaad en in het bijzonder de
    Italiaans-Amerikaanse mafia, bij herhaling verheven tot soortbegrip
    en voorgesteld als een geheime samenzwering die elders wordt
    opgezet en waarvan de deelnemers de in zichzelf gezonde politiek,
    economie en samenleving van Amerika hebben overrompeld en
    gecorrumpeerd. De angst voor deze sinistere buitenlandse octopus
    komt in de Amerikaanse politiek op gezette tijden naar boven om in
    een wervelend samenspel van de media, de politiek, het Openbaar
    Ministerie, de politie, comits van bezorgde burgers, populaire
    wetenschap, en ook film en bellettrie, te worden afgeschilderd als
    onzegbaar machtig. Dit draagt het gevaar van de Amerikaanse
    moral panic in zich (Chambliss, 1995). Het werk van veel
    vakcriminologen is tot op zekere hoogte een voor de hand liggende
    reactie op deze angstige voorstelling van zaken. Zij hebben
    veelvuldig getracht deze these van de alien conspiracy te
    weerleggen. Wat op zijn beurt weer aanleiding kan zijn om het
    probleem ten onrechte te bagatelliseren en dan zijn we nog verder
    van huis want het verschijnsel verdwijnt niet vanzelf. In een
    recent rapport van de Verenigde Naties (United Nations, 1994) wordt
    de internationalisering van de activiteiten die de hiervoor
    genoemde buitenlandse groepen ontplooien, vooral toegeschreven aan
    de algehele globalisering van het maatschappelijk leven, en verder
    – gespecificeerd voor individuele landen – in verband gebracht met
    enerzijds de mogelijkheden om ergens op een illegale manier snel
    groot geld te verdienen en anderzijds de mate van risico om op een
    doeltreffende manier door de overheden aldaar te worden bestreden.
    Met andere woorden, in dit rapport wordt uitgegaan van de
    grondgedachte dat daar waar hoge winsten zijn te behalen en de
    overheid – om wat voor reden dan ook: onvoldoende organisatie,
    corruptie en intimidatie, acceptatie van bepaalde ontwikkelingen –
    zwak is of berust in de gang van zaken, de bekende transnationale
    groepen zullen neerstrijken. Over de rol die (ook) binnenlandse
    allochtone criminele groepen en de gemeenschappen waarvan zij deel
    uitmaken, in zo’n een proces kunnen spelen, wordt met geen woord
    gerept. Waarom aan hun belangrijke rol wordt voorbijgegaan, wordt
    niet verantwoord. Maar vreemd is het wel, want het is onderhand
    bijvoorbeeld een feit van algemene bekendheid dat de snelle
    penetratie van Italiaanse mafia-groepen in Duitsland alles te maken
    heeft met de aanwezigheid van grote Italiaanse gemeenschappen in
    veel Duitse steden. Mafiosi kunnen gemakkelijk onderduiken in deze
    gemeenschappen en zich zo onttrekken aan de greep van de Justitie
    in hun eigen of een ander land. Het is voor bepaalde mafiosi en hun
    handlangers veiliger om vanuit deze gemeenschappen crimineel actief
    te zijn in Itali dan vanuit de plaatselijke gemeenschappen in dit
    land zelf. En het is vanzelfsprekend ook niet zo moeilijk voor hen
    om eerst en vooral in zo’n grote Italiaanse gemeenschap als die in
    Duitsland medestanders te recruteren. Hoe dan ook, dit merkwaardige
    stilzwijgen in het desbetreffende rapport maakt iets van het
    ongemak zichtbaar waarmee over de betrokkenheid van allochtonen,
    etnische minderheden of immigranten in het algemeen, bij de
    georganiseerde criminaliteit wordt gesproken.

    lees meer

    Bijlage VIII – VIII.3. Conclusie

    VIII.3. Conclusie

    Het vorenstaande zal duidelijk hebben gemaakt dat de Nigeriaanse
    en Ghanese netwerken zeker ook in Nederland actief zijn. Maar
    hierbij dient wel te worden bedacht dat het in ons land slechts
    gaat om onderdelen, zoniet uiteinden, van deze netwerken. Want dit
    verklaart wellicht waarom hier eigenlijk niets, of toch niet veel,
    wordt teruggevonden van de grote hirarchische structuren waarvan in
    Nigeria zelf sprake lijkt te zijn, volgens politiebronnen. Dit
    maakt de Nederlandse vertakkingen overigens niet minder effectief:
    hun geringe omvang en losse organisatie stelt ze in staat om zeer
    flexibel te opereren in de internationale drugshandel. Dat deze
    organisatie voor de leidende figuren ook de nodige zorgen met zich
    meebrengt, staat vast; denk aan de controle op koeriers. Maar
    nadelen als deze wegen waarschijnlijk niet op tegen de voordelen.
    Alles wijst er verder op dat de Nigeriaanse en Ghanese
    (georganiseerde) criminaliteit in ons land zich eenzijdig heeft
    ontwikkeld. Bovenal speelt zij zich af in de drugshandel, en verder
    nog steeds in de autohandel en, wellicht, de vrouwenhandel. Op
    welke schaal deze illegale activiteiten tegenwoordig worden
    bedreven, is echter goeddeels een raadsel. Gelet op de
    onheilstijdingen die zo nu en dan over hun omvang de wereld in
    worden gestuurd, zou het wel goed zijn wanneer er eens wat nader
    onderzoek zou worden verricht, zowel om mythevorming te voorkomen
    als om opsporing te bewerkstelligen waar zij geboden is. De
    oplichterspraktijken die vanuit Nigeria worden bedreven, kunnen
    overigens moeilijk worden gekenschetst als vormen van
    (georganiseerde) criminaliteit die echt op Nederlandse bodem worden
    bedreven. In dit verband vallen er in
    Nederland alleen slachtoffers, niet zelden als gevolg van hun eigen
    naviteit en/of hebzucht. Het feit dat de onderhavige netwerken zich
    in Nederland alleen maar manifesteren in de gedaante van kleine
    cliques smokkelaars, verklaart wellicht mede waarom er hier zo goed
    als geen sprake is van geweldgebruik, en van corruptie slechts op
    de meeste gerede plaatsen in de Nederlandse economie en de
    Nederlandse ambtenarij. En niet uitgesloten moet worden geacht dat
    juist ook dit een van de voornaamste redenen is waarom aan deze
    (uitlopers van de ) Nigeriaanse en Ghanese georganiseerde
    criminaliteit haast geen aandacht wordt geschonken.

    lees meer

    Bijlage VIII – Bibliografie Hoofdstuk III

    Bibliografie Hoofdstuk III:

    Turkse criminele groepen in Nederland

    Akgndz, A., Een analytische studie naar de arbeidsmigratie van
    Turkije naar West-Europa, in het bijzonder naar Duitsland en
    Nederland (1960-1974), in Sociologische Gids, jaargang 40,
    1993, p. 352-385.

    lees meer

    IX – De branche van het wegtransport – 4.3 Verkoopcijfers vrachtwagens

    4.3 Verkoopcijfers vrachtwagens

    De aankoop van nieuwe vrachtauto’s en trekkers daalde tussen
    1992 en 1993 sterk; er werden in 1994 vijfendertig procent minder
    vrachtauto’s en vijfenveertig procent minder trekkers verkocht dan
    in 1992; volgens Transport en Logistiek Nederland was dit een
    belangrijke indicator voor de algeheel slechte situatie bij de
    transportbedrijven (TLN, 1994). Maar in 1994 neemt het aantal
    verkopen van vrachtwagens en opleggers ineens weer sterk toe: er
    worden 13 % meer trucks verkocht en bijna 44 % meer opleggers dan
    in het voorgaande jaar (TLN, 1995). Hieruit kan worden
    geconcludeerd dat de dalende resultaten definitief tot een einde
    zijn gekomen. Ook het aantal geleaste wagens neemt de
    laatste jaren sterk toe. In 1990 werd ongeveer zestien procent van
    de vrachtwagens en trekkers geleast, in 1991 groeide dit percentage
    tot negentien procent en in 1992 was het al ongeveer 22 procent
    (CBS, 1994).

    lees meer

    IX – De branche van het wegtransport – 11.2 Expediteurs

    11.2 Expediteurs

    De transportdocumenten worden tegen betaling opgemaakt door
    douane-expediteurs, meestal in opdracht van een verlader,
    soms rechtstreeks van fabrikanten. Sommige verladers of
    transportondernemers maken zelf hun documenten op, maar dit komt
    niet vaak voor. De expediteur regelt het vervoer van A naar B, van
    vliegtuig tot schip tot vrachtwagen. Voor het vervoer over de weg
    schakelt de expediteur n of meer transportbedrijven in. Per
    douane-document moet een borgsom gestort worden, maar
    expeditie-bedrijven hebben een doorlopende borg uitstaan. Wanneer
    de papieren niet aangezuiverd worden, is de expediteur
    verantwoordelijk tegenover de fiscus voor de misgelopen
    belastinggelden of ten onrechte betaalde subsidies. Wanneer er geen
    bewijs komt dat de goederen de EU hebben verlaten, klopt de
    Nederlandse belastingdienst bij de expediteur aan met een naheffing
    voor de misgelopen gelden. In 1994 kregen twintig expediteurs een
    dergelijke rekening in de bus; zo moesten twee grote bedrijven
    samen meer dan honderd miljoen ophoesten. De branche-organisatie
    van expediteurs Fenex schat dat de fiscus op deze manier jaarlijks
    zo’n 1,5 miljard aan belastinginkomsten misloopt. Sommige
    expediteurs huren een bewakingsbedrijf in voor gevoelige
    transporten; een bewakingsagent rijdt dan in zijn personenwagen
    achter de vracht aan en houdt het douane-document gescheiden van de
    wagen. Het komt ook voor dat werknemers van het expeditie-bedrijf
    met hun neus op het laden en lossen staan. Verder schijnen sommige
    expeditie-bedrijven camera’s in hun kantoor hebben hangen, waarop
    het moment dat de chauffeur de papieren inklaart op film wordt
    vastgelegd. Volgens Fenex, die deelneemt aan de pas opgerichte
    werkgroep Fraudepreventie, is het de georganiseerde misdaad die
    slim inspringt op de onoverzichtelijkheid van de open grenzen en zo
    de expediteurs een loer draait. Maar zijn alle expediteurs wel zo
    onschuldig? En welke rol spelen de plaatselijk overheden? We
    bespreken nu verschillende varianten in subsidie-, belasting- en
    accijnsfraude.

    lees meer

    << oudere artikelen  nieuwere artikelen >>