• Buro Jansen & Janssen, gewoon inhoud!
    Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, overheid in Nederland en de EU kritisch volgt. Een grondrechten kollektief dat al 40 jaar, sinds 1984, publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, veiligheid in breedste zin, bevoegdheden, overheidsoptreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Migratie

  • Politieklachten

  • Bijlage VIII – 2. Over de geschiedenis van de georganiseerde criminaliteit in Nederland

    2. Over de geschiedenis van de georganiseerde criminaliteit
    in Nederland

    Nederland kan niet bepaald het land worden genoemd met een grote
    traditie op het vlak van de geschiedschrijving in de sfeer van
    misdaad en straf. Slechts sedert de jaren zeventig bestaat er een
    kleine kring van historici, antropologen en criminologen die
    interesse hebben voor de geschiedenis van de criminaliteit en de
    strafrechtspleging in Nederland. Hun geschriften hebben tot nu toe
    evenwel hoofdzakelijk betrekking op de manier waarop door overheden
    op het probleem van de criminaliteit werd gereageerd. Dit probleem
    zelf werd dan ook veelal slechts in functie van deze invalshoek
    behandeld (Faber, 1983; Spierenburg, 1984; Diederiks en Roodenburg,
    1991). Er is echter een gelukkige uitzondering: de geschiedenis van
    het bendewezen in en rond de Republiek in de achttiende eeuw.

    lees meer

    Bijlage VIII – I. ALGEMENE INLEIDING

    I. ALGEMENE INLEIDING

    Een van de hoofdvragen, waarop de Enqutecommissie een antwoord
    moet geven, is de vraag naar de aard, ernst en omvang van de
    georganiseerde criminaliteit in Nederland. Voor een ieder die in de
    voorbije jaren de berichtgeving over grotere strafzaken heeft
    gevolgd, zal het duidelijk zijn dat in dit antwoord niet alleen
    aandacht mag worden geschonken aan de rol van autochtone,
    Nederlandse, groepen in die criminaliteit, maar dat ook het nodige
    dient te worden gezegd over de rol die buitenlandse en allochtone
    groepen hierin spelen. Over deze laatste groepen gaat dan ook dit
    rapport. De rol van autochtone groepen in de georganiseerde
    criminaliteit in Nederland wordt door Cyrille Fijnaut belicht in
    het gelijknamige rapport van zijn hand.

    lees meer

    Bijlage VIII – V.1. De georganiseerde criminaliteit in Hong Kong

    V.1. De georganiseerde criminaliteit in Hong Kong

    V.1.1. Het verhaal van de triades

    Het probleem van de Chinese georganiseerde criminaliteit wordt
    nogal gemakkelijk op een lijn gesteld met het probleem van de
    triades. Maar net zoals de kwestie van de georganiseerde
    criminaliteit in Itali niet kan worden gelijkgesteld aan die van de
    mafia en haar vier geledingen, zo mag ook in dit geval de
    georganiseerde criminaliteit niet op n en dezelfde hoop worden
    gegooid. De triades – ook in hun eigentijdse uitmonstering – vormen
    slechts een deel van het probleem. En juist om ook dat andere deel
    goed te kunnen begrijpen, is het van belang dat het verhaal van de
    triades wordt verteld.

    lees meer

    Bijlage VIII – VII.5. Colombianen in Nederland en hun criminaliteit

    VII.5. Colombianen in Nederland en hun criminaliteit

    Volgens opgave van het Centraal Bureau voor de Statistiek hadden
    zich in 1994 2.049 personen legaal gevestigd op Nederlands
    grondgebied met een Colombiaans nationaliteit en nog eens 6.864
    Colombiaanse mensen beschikten daarnaast ook nog over de
    Nederlandse nationaliteit. Hun aantal neemt gestaag toe: in 1991
    waren dat nog slechts 1.610 mensen met enkel de Colombiaanse en
    5.605 mensen met een dubbele nationaliteit. Wie dit precies zijn is
    niet bekend. Colombianen behoren niet tot de doelgroepen van het
    Nederlandse minderhedenbeleid en, net zoals bij andere
    Latino-bevolkingen, is er geen onderzoek naar hen gedaan. En ding
    is wel heel duidelijk: ongeveer twee derde bestaat uit vrouwen. Is
    hier ook sprake, zoals in Engeland, van Colombiaanse hulpen in de
    huishouding? Het is wel waarschijnlijk dat er zich enkele politieke
    vluchtelingen onder bevinden die in de jaren zeventig zijn
    gearriveerd, maar veel kunnen dit er niet zijn. Wel volstrekt
    duidelijk is het grote aantal prostitues onder deze vrouwen. Zij
    hebben niet zelden eerst gewerkt in het beroemde prostitutiekamp
    Campo Allegre op Curaao en van daaruit hebben zij, net zoals
    prostitues uit de Dominicaanse Republiek en ook uit de Nederlandse
    Antillen zelf, de oversteek gemaakt. Dat zovele van hen een dubbele
    nationaliteit bezitten, kan betekenen dat een aantal van hen met
    Hollandse mannen (ex-klanten?) is gehuwd. Er bevinden zich ook
    nogal wat zusters onder en dat duidt op kettingmigratie. De trek
    van Colombiaanse prostitues naar Nederland is al meer dan 15 jaar
    oud en gaat vooraf aan de import van drugs. Verder leeft in
    Nederland een onbekend aantal illegale Colubianen. Wie met de
    plaatselijke politie daarover praat, krijgt gemakkelijk de indruk
    dat eigenlijk alle Colombianen in Nederland – en dat geldt zeker
    het aantal illegale Colombianen wier aantal wij per definitie niet
    kennen – wel op de een of andere manier zijn verbonden met de
    handel in drugs. Maar het gezichtspunt van de politie is
    noodzakelijkerwijs selectief en Colombianen buiten het criminele
    circuit komen niet in hun vizier. De Argentijnse criminoloog Damian
    Zaitch is met een etnografisch onderzoek naar deze gemeenschap
    begonnen. Hij treft in Amsterdam en Rotterdam een rijk
    verenigingsleven aan dat op zichzelf helemaal niet met de wereld
    van de drugs hoeft te zijn verbonden. Er zijn politieke clubs,
    culturele verenigingen, migranten-zelfhulporganisaties en
    feministische groeperingen. Hij stuit eveneens op kerkelijke
    organisaties die taalcursussen geven. Maar hij ontwaart ook een
    uitgebreid horeca-circuit, een aantal (vecht-)sportscholen waar
    Colombianen veel komen en dansgelegenheden waar de connectie met de
    cocanehandel wel bestaat. Zaitch verwondert zich over de open en
    ontspannen manier waarop onder Colombianen in Nederland met cocane
    wordt omgegaan. Op grond van wat wij daar in het bijzonder in
    Amsterdam over aantreffen en waarvan verslag is gedaan in het
    Amsterdamse rapport in deze serie, lijkt de uitspraak te verdedigen
    dat een aanmerkelijk deel van de kleine Colombiaanse gemeenschap op
    de een of andere manier wel degelijk een rol speelt bij de import
    en de distributie van drugs.

    lees meer

    Bijlage VIII – X.2. Het optreden van de Joego-mafia in Duitsland

    X.2. Het optreden van de Joego-mafia in Duitsland

    In diverse West-Europese landen vormt de criminaliteit die door
    Joegoslavische bendes wordt bedreven een niet gering probleem. Maar
    dit probleem wordt, hoe dan ook, het scherpst gevoeld in Duitsland
    – het land waar van oudsher veel Joegoslaven wonen. Zoals in de
    algemene inleiding al werd aangegeven, vormden volgens de
    Lagebilder van het Bundeskriminalamt uit 1992 en 1993
    Joegoslaven rond de 6% van alle verdachten (8.352 respectievelijk
    9.884) in de betrokken opsporingsonderzoeken. De illegale
    activiteiten waaraan dezen zich schuldig maken, liggen met name in
    de sfeer van de drugshandel en in die van de woninginbraken.
    Daarnaast zijn zij zeker ook betrokken bij
    prostitutie/vrouwenhandel, illegaal gokken, diefstal van
    (vracht)auto’s en de wapenhandel. Wat dit alles concreet zoal
    betekent, is bijna uitsluitend in de journalistieke literatuur met
    stukken en beetjes terug te vinden literatuur overigens die juist
    ook op dit punt is gebaseerd op politie-informatie (Roth en Frey,
    1992; Peters, 1994).

    lees meer

    Bijlage VIII – II.2. De emigratie naar Nederland

    II.2. De emigratie naar Nederland

    Suriname mag in politiek opzicht dan onafhankelijk zijn, in
    economisch en cultureel opzicht is het volstrekt georinteerd, om
    niet te zeggen: gefixeerd, op het voormalige moederland. Dat geldt
    zowel in positieve zin: men reist erheen, gebruikt de Nederlandse
    taal en drijft er handel mee, maar ook negatief: de Surinaamse
    identiteit wordt verstevigd door zich af te zetten tegen het
    Nederlandse neo-imperialisme. Legerleider Bouterse bewaakte zijn
    zogenaamde revolutie door steeds weer te verklaren: Ik ben klaar
    met Nederland! Een traditie van ruim honderd jaar emigratie naar
    Nederland om er te studeren vormt daar onderdeel van. Als de
    massa-emigratie in de jaren zeventig op gang komt, is Nederland
    vrijwel de enige bestemming. Er is een kolonie van enkele duizenden
    Surinamers te vinden in New York, honderdduizenden trokken naar
    Holland. Toen de Amsterdamse sociaal-geograaf H. van Amersfoort in
    1968 de eerste overzichtsstudie van Surinamers in Nederland
    schreef, telde hij een aantal van tussen de 16.000 en 18.000
    migranten. Voor een groot deel waren dat studerenden en mensen uit
    de Surinaamse middenklasse die hier werkten als verpleegsters,
    onderwijzers en ambtenaren. Voor een klein deel waren dat
    arbeiders: afgemonsterde zeevarenden, geworven metaalarbeiders voor
    de Amsterdamse scheepvaartindustrie en ambachtslieden die op de
    bonnefooi kwamen. Zij wisten hun weg in de Nederlandse samenleving
    goed te vinden en Surinamers golden voor de Hollandse bevolking als
    een exotische groep. Een detail is voor het onderwerp van deze
    studie belangrijk, zo zal verderop blijken: van oudsher zijn de
    luchthaven Schiphol en de Nederlandse luchtvaartmaatschappijen voor
    Surinamers zeer geliefde werkgevers. In een rapport van het
    Landelijk Buro Racisme Bestrijding uit 1990, dat handelt over
    mogelijke discriminatie van Surinaamse werknemers bij promotie en
    ontslag wordt het belang van de nationale luchtvaartmaatschappij
    voor de werkgelegenheid van Surinaamse immigranten in Nederland
    onderstreept. Er was in de jaren zestig geen speciaal
    werkloosheidsvraagstuk, er werden geen bijzondere sociale problemen
    gesignaleerd behalve het (psychologische) aanpassingsprobleem en
    over Surinaamse criminaliteit werd nauwelijks gesproken. Van
    Amersfoort meende dat de emigratie kon worden opgevat als een vorm
    van de verstedelijking die zich in veel landen van de Derde Wereld
    in die jaren begon af te tekenen en dat was goed gezien. Paramaribo
    puilde niet uit zoals steden in Latijns Amerika, de massa-emigratie
    die in de jaren zeventig op gang kwam, richtte zich op de Randstad
    Holland. Alle sociale categorien die de Surinaamse samenleving rijk
    is, namen eraan deel. Vooral in de twee jaar voorafgaande aan de
    abrupte onafhankelijkheid zwelde de stroom aan met mensen die het
    zekere maatschappelijke bestaan van Nederland verkozen boven de
    onzekere politieke toekomst van Suriname en zolang zij
    staatsrechtelijk Nederlanders waren, kon dat ook nog. Onder de
    emigranten bevonden zich nu ook Hindoestaanse en Javaanse
    landbouwers, het stadsproletariaat en ook de hele en halve
    werklozen van alle etnische groepen. Bovenkerk (1983) liet zien dat
    alle groepen meededen aan de volksverhuizing, ook Chinezen,
    Bosnegers, Libanezen en de afstammelingen van Nederlandse
    kolonisten uit de vorige eeuw, de zogenaamde boeroes. Emigratie als
    massaverschijnsel vormde een afspiegeling van de gehele Surinaamse
    bevolking.

    lees meer

    IX – De branche van het wegtransport – 7.2 De chauffeurscultuur

    7.2 De chauffeurscultuur

    Chauffeurs zijn over het algemeen laag opgeleid. Bijna zeventig
    procent van alle chauffeurs heeft een LBO-opleiding of lager; ruim
    twintig procent doorliep alleen de lagere school (Nota TLN, 1994).
    Een bevestiging van het stereotype dat wil dat deze jongens op
    school meer uit het raam naar vrachtauto’s zaten te kijken, dan in
    hun boeken. Het is ook een echte mannencultuur; het aantal vrouwen
    in het chauffeursbedrijf groeit weliswaar, maar bedroeg in 1991 nog
    maar vier procent (Nota TLN, 1994). Op de baas wordt heel wat
    afgescholden. De snelheidsbegrenzer en tachograafschijven zijn zeer
    impopulair, want die perken de vrijheid van handelen in: het aantal
    stops, de gemiddelde snelheid en het precieze aantal gereden en
    geruste uren zijn na de rit door de baas precies te controleren.
    Nog verder gaat de satelliet-controle die een groeiend aantal
    internationale transportondernemingen heeft: via schotelverbinding
    kan de ondernemer op ieder tijdstip zien waar zijn chauffeurs zich
    bevinden. Volgens een genterviewde transporteur wilden zijn
    chauffeurs in eerste instantie niets weten van deze nieuwe
    controlemogelijkheid, maar willen ze nu niet meer zonder. Vooral op
    overval-gevoelige landen biedt de directe communicatiemogelijkheid
    een gevoel van veiligheid.

    lees meer

    IX – De branche van het wegtransport – 12.3 Andere vormen van smokkel

    12.3 Andere vormen van smokkel: wapens en mensen

    Wat betreft de aard en omvang van wapensmokkel, tasten we
    volledig in het duister. Aangezien er – onder andere – met name in
    voormalig Joegoslavi een behoorlijk aantal wapens nodig is, moet er
    smokkel van wapens plaatsvinden. Een genterviewde transporteur
    vertelde dat er wel zeker door Nederlandse transportbedrijven naar
    het oorlogsgebied wordt gereden, maar onduidelijk is met welke
    lading. Onlangs dook in de pers een bericht op over
    mensensmokkel in een Nederlandse vrachtauto. Het betrof een
    groep vluchtelingen uit verscheidene landen (Marokko, Tunesi,
    Somali, Irak en Iran) die vermoedelijk veel geld heeft betaald om
    in West-Europa een herkomen te vinden. Een chauffeurs-echtpaar dat
    al jaren op Marokko rijdt, vertelt over de vele verstekelingen die
    zich op de veerboot onder of in de wagens proberen te verstoppen,
    al wisten zij niet of chauffeurs ook geld aannemen van de
    verstekelingen. Na verscherpte controle aan de Marokkaanse grens,
    hebben zich mensensmokkelroutes ontwikkeld bij de Algerijnse grens,
    zo staat eveneens te lezen in het rapport dat handelt over
    allochtonen. In 1994 arresteerde de Italiaanse politie 6000
    Algerijnse, Marokkaanse en Tunesische illegalen in Zuid-Itali, zo
    vernemen we verder uit diverse Marokkaanse kranten waaronder Anoual
    (22 mei 1995). Sindsdien heeft ook Algerije maatregelen genomen en
    verplaatste de smokkel zich weer naar Marokko, van waaruit de
    migranten met bootjes naar Algeciras worden gevaren, na betaling
    van bedragen rond de 3000 gulden. Zowel de Spaanse als de
    Marokkaanse douane en politie zou betrokken zijn bij deze
    mensensmokkel, zo vernemen we uit deze Marokkaanse bronnen. Vanuit
    Spanje gaan de illegalen naar Nederland, Belgi en Frankrijk, maar
    het is onduidelijk of en hoe vaak de transportsector hierbij
    gebruikt wordt. Uit de politiedossiers blijkt dat er Nederlandse
    chauffeurs zijn aangehouden met verstekelingen uit Irak, Iran,
    Egypte, Tunesi, Marokko en Somali aan boord: verscholen achter lege
    bloemendozen in de lading. De betreffende chauffeurs verdienden
    duizend gulden per gesmokkeld persoon.

    lees meer

    IX – De branche van het wegtransport – 3.2 Bestemmingen

    3.2 Bestemmingen

    De belangrijkste landen waar de Nederlandse vervoersondernemers
    naartoe rijden zijn op volgorde van grootte: Duitsland (22 miljoen
    ton), Belgi en Luxemburg (12 miljoen ton), Frankrijk (ruim 4,5
    miljoen ton), Itali (1,3 miljoen ton), Engeland (0,7 miljoen ton)
    en Zwitserland (0,6 miljoen ton). Andere belangrijke uitvoerlanden
    zijn Denemarken en Zweden (samen 1 miljoen ton). De belangrijkste
    landen waar de Nederlandse vervoersondernemingen goederen vandaan
    halen zijn in volgorde van grootte: Duitsland, Belgi en Luxemburg,
    Frankrijk, Itali, Engeland en Zweden. Andere grotere importlanden
    zijn Denemarken, Spanje en Zwitserland en Oostenrijk.

    lees meer

    IX – De zeehaven Rotterdam en de luchthaven Schiphol – 3.2. Criminaliteit op de luchthaven Schiphol

    3.2. Criminaliteit op de luchthaven Schiphol

    De luchthaven Schiphol (inclusief Seceurop Schiphol) en de
    Koninklijke Marechaussee die vanaf 1 januari 1994 voor de
    politiezorg op Schiphol verantwoordelijk is, verklaren weinig last
    te hebben van
    criminaliteitsvormen als autokraak, autodiefstal, diefstal van
    bagage van passagiers en zakkenrollerij. Schiphol heeft relatief
    weinig met (veelvoorkomende) criminaliteit te maken. Gezien het
    grote aantal dagelijks geparkeerde auto’s (ruim 80.000) is het
    aantal van 135 (in 1993) en 185 (in 1994) ontvreemde auto’s
    relatief laag. De meeste auto’s worden voor joy-riding gebruikt
    (zie ook het deelrapport van Bruinsma over (vracht)autodiefstallen
    in Nederland). De autodiefstallen vinden gespreid over het jaar
    plaats en vertonen geen piek in bepaalde maanden. Van de autodieven
    zijn er in 1993 twee en in 1994 vier verdachten door de Koninklijke
    Marechaussee aangehouden. Van de op het terrein van Schiphol
    geparkeerde auto’s worden er per jaar ongeveer 290 opengebroken.
    Zowel voor 1993 als 1994 zijn er van diefstal uit of vanaf auto’s
    292 aangiftes gedaan. Dit aantal is vermoedelijk een onderschatting
    van het werkelijke aantal, omdat veel passagiers niet goed weten
    waar zij op Schiphol aangifte moeten doen, of na een lange
    vliegreis maar besluiten thuis aangifte te doen bij de plaatselijke
    politie. De meeste autokraken (bijna de helft) worden gepleegd in
    parkeergarage P9 die vrij dicht is gelegen bij de aankomst- en
    vertrekhal van Schiphol. Veel voorkomende delicten op openbare
    plaatsen met druk personenverkeer, zijn bijvoorbeeld zakkenrollerij
    en bagagediefstal Noot . In 1993 werd in 1722 gevallen
    aangifte gedaan door passagiers en bezoekers; in 1994 bedroeg dat
    aantal 1209. Ook bij deze aantallen kan worden aangetekend dat de
    officile aangiftes een klein deel van het werkelijke aantal beslaan
    omdat veel mensen pas na verloop van tijd hun bagage missen of hun
    papieren kwijt zijn. Bovendien denken veel mensen in eerste
    instantie dat zij een en ander hebben verloren of dat bij het
    inchecken de bagage in het verkeerde vliegtuig is terecht gekomen.
    In dat geval wordt aangifte gedaan van vermissing, niet van
    diefstal. In de aankomsthal vindt bijna de helft van de
    bagagediefstallen plaats, maar ook in de vertrekhal zijn de volle
    koffers en tassen een aantrekkelijk doelwit voor dieven. Volgens de
    Koninklijke Marechaussee worden zakkenrollerij en bagagediefstallen
    professioneel georganiseerd door groepen daders die internationaal
    opereren. Zij zijn gedurende enkele dagen op een bepaalde
    luchthaven in Europa actief om vervolgens naar een andere
    luchthaven te vertrekken voordat de opsporingsdiensten en
    veiligheidsbedrijven alert worden en actie ondernemen.
    Internationale contacten tussen opsporingsdiensten in Europa
    bevestigen dit patroon van internationaal professioneel opererende
    dieven. Het internationale karakter van de criminele groepen blijkt
    uit gegevens over het land van oorsprong van de daders die zijn
    aangehouden. Van de 78 aanhoudingen in 1993 waren 21 daders uit
    Peru afkomstig, 19 uit voormalig Joego-Slavi, 11 uit Marokko, 9 uit
    Frankrijk, 3 uit Nederland en een enkeling uit andere landen. In
    1994 zijn 82 aanhoudingen verricht terzake van zakkenrollerij en/of
    bagagediefstallen. Hiervan blijken 19 daders afkomstig te zijn uit
    ex-Joego-Slavi, 17 uit Peru, 10 uit Algerije 8 uit Marokko en 7 uit
    Chili en Frankrijk. Deze dieven werken volgens de Koninklijke
    Marechaussee veelal in groepen en maar in een enkel geval
    solistisch. Het is zeer moeilijk een hele groep gezamenlijk aan te
    houden, omdat het bewijs van medeplichtigheid meestal moeilijk is
    te leveren.

    lees meer

    IX – De autobranche en de (vracht)autocriminaliteit – 6.3. Corruptie en smeergelden bij de opsporing van gestolen auto’s

    6.3. Corruptie en smeergelden bij de opsporing van gestolen
    auto’s

    Een aantal jaren geleden is een lid van de Koninklijke
    Marechaussee op Schiphol door de rechter veroordeeld voor het feit
    dat hij zelf in diensttijd en in vrije avonden op parkeerplaatsen
    bij het vliegveld op zoek ging naar gestolen auto’s en die zelf
    meldde aan verzekeringsmaatschappijen om het terugvindloon te
    innen. In Nederland wordt in het geruchtencircuit wel vaker
    gesuggereerd dat menig politie-agent daarmee extra inkomsten
    verwerft, al dan niet met hulp van vrienden en kennissen. Gegevens
    daarover bestaan er niet. Mocht dit het geval zijn dan moeten die
    ambtenaren bij verzekeringsmaatschappijen bekend zijn. Maar deze
    informatie wordt door de verzekeringsmaatschappijen gekoesterd als
    bedrijfsgeheim. In ieder geval kan worden vastgesteld dat
    verzekeringsmaatschappijen bepaalde vormen van corruptie in de hand
    werken wanneer zij buiten de officile kanalen om
    opsporingsambtenaren zouden betalen voor hun tips. Een even sterk
    geruchtencircuit bestaat er over keurmeesters van keuringsstations
    van de RDW die betalingen zouden ontvangen om gestolen en omgekatte
    auto’s goed te keuren. Er bestaan echter geen concrete bewijzen van
    dergelijke corruptie. Zij zijn wel een kwetsbare schakel in de
    levering van gestolen auto’s aan de legale branche.

    lees meer

    IX – De branches horeca en gokautomaten – 3.9. Modegevoeligheid

    3.9. Modegevoeligheid

    De horeca is een branche die sterk aan mode onderhevig is. De
    smaak van het – veelal jonge – publiek wisselt snel en rigoreus.
    Het lijkt soms alsof de windrichting bepaalt welke zaken de
    places to be zijn en welke niet. In de jaren zestig
    verschenen de meeste bars en discotheken. Tien jaar later kwamen
    vooral de politieke en culturele (film-)cafs op en zij maakten in
    de jaren tachtig plaats voor de trendy Grand Cafs. Voor het jonge
    modegevoelige publiek verdwijnt het bruine caf steeds meer naar de
    achtergrond en dat merken de betreffende cafbazen. Nog steeds is
    bijna de helft van alle cafs bruin of middelbruin (Lenting &
    partners, 1990). Ook discotheken moeten bijblijven om hun publiek
    te blijven boeien. Het eens zo populaire Utrechtse Cartouch raakte
    op sterven na dood omdat de stijl niet meer naar de tijd werd
    aangepast. Inmiddels is de discotheek overgenomen en werden naam,
    interieur en identiteit totaal vernieuwd: de nieuwe zaak wordt druk
    bezocht. Waren tien jaar geleden de spiegelbal en verlichte
    dansvloer nog favoriet, tegenwoordig zijn deze interieurelementen
    hopeloos verouderd en dus fout. Er schieten mega-dancings
    uit de grond, zoals de Metropool in Rotterdam, waar veel meer
    mogelijk is dan dansen en drinken alleen; er is een coctailbar, er
    zijn snacks verkrijgbaar en worden shows opgevoerd. In veel grotere
    dancings zijn verschillende hoeken ingericht die ieder hun eigen
    sfeer ademen; van junglebar en ijssalon tot lasergame-room.
    Afgezien van de echte buurtcafs – waar zelfs het wassen van de
    gordijntjes klanten kost-, moet de ondernemer van een moderne
    horecagelegenheid flexibel zijn en zich naar de modes richten. Het
    publiek verwacht verrassingen en de conservatieve ondernemer gaat
    niet lang mee. Het is de vraag of een branche waarin veel kleine,
    onvermogende en laag opgeleide ondernemers opereren een dergelijke
    flexibiliteit kan opbrengen. Uit onderzoek (Lenting en Partners,
    1990) blijkt dat vooral de grotere ondernemer (hoge omzet, meer en
    grotere horecagelegenheden) regelmatig geld uitgeeft aan reclame om
    zijn zaak te promoten. Dezelfde ondernemer volgt de
    marktontwikkelingen, bezoekt regelmatig beurzen en is lid van
    Horeca Nederland. Zijn assortiment is breed, zowel op het gebied
    van voedstel en drank, als wat amusement aangaat. De kleine
    caf-eigenaar besteedt daarentegen nog geen honderd gulden per maand
    aan reclame (27%) en laat ook de meeste andere middelen om bij te
    blijven voor wat ze zijn. De gemiddeld korte levensduur van
    horecagelegenhedenspreekt boekdelen.

    lees meer

    IX – De branches horeca en gokautomaten – 2.2. Misdaad, wapenbezit en geweld

    2.2. Misdaad, wapenbezit en geweld

    Het ministerie van Justitie becijferde dat het bedrijfsleven in
    1992 bijna vier miljard schade opliep door veel voorkomende
    criminaliteit; eenderde deel van alle bedrijven wordt jaarlijks
    door n of meer vormen van criminaliteit getroffen. Gemiddeld wordt
    een Nederlands bedrijf acht keer per jaar het slachtoffer van
    criminaliteit. Het gaat dan om alle vormen van lichte
    criminaliteit, zoals diefstal, inbraak, vernieling en bedreiging.
    De detailhandel en de horeca zijn de twee branches met het hoogste
    riscio: van alle ondernemingen in deze bedrijfstakken wordt
    jaarlijks respectievelijk zestig en vijftig procent slachtoffer van
    een misdrijf.

    lees meer

    IX – De bouwnijverheid – 3.2. Het bouwproces

    3.2. Het bouwproces

    Bouwprodukten zijn elementaire produkten waaraan altijd behoefte
    bestaat. Zij kennen een grote verscheidenheid zowel naar aard als
    naar omvang. Het produktieproces is tot op vandaag de dag ondanks
    alle technologische vernieuwingen nog steeds arbeidsintensief
    (Jansen, 1995, p. 8). De start van een bouwproces ligt bij een
    opdrachtgever. Deze opdrachtgever kan de daadwerkelijke gebruiker
    zijn, een beheerder, zoals een woningbouwcorporatie, of een
    projectontwikkelaar. De wensen en behoeften van de opdrachtgever
    worden omgezet in een Programma van Eisen, dat gebruikerseisen,
    functies, prestaties en voorwaarden bevat en aan de basis staat van
    het ontwerp. Op basis van het ontwerp wordt het bestek gemaakt,
    de beschrijving van een bouwkundig werk. In het bestek is opgenomen
    welke bouwstoffen- en materialen moeten worden gebruikt en aan
    welke kwaliteitseisen ze moeten voldoen. Als het bouwplan
    besteksgereed is, worden bij diverse aannemers om prijsopgaven
    gevraagd. De opdrachtgever laat dit doorgaans over aan een
    architect. De opdrachtgever gunt het werk vervolgens in een
    openbare aanbesteding aan de laagste aanbieder.

    lees meer

    IX – De bouwnijverheid – 7.1. Infiltratie, afpersing en protectie in de bouwnijverheid

    7. GEORGANISEERDE CRIMINALITEIT IN DE
    BOUWNIJVERHEID?

    7.1. Infiltratie, afpersing en protectie in de
    bouwnijverheid

    In dit hoofdstuk gaan wij nog eens de indicatoren langs zoals
    die in het tweede hoofdstuk aan de orde zijn gesteld. Het is van
    belang nogmaals te onderstrepen dat niet n indicator op zich
    voldoende is om de aan- of aanwezigheid van georganiseerde misdaad
    in de bouwnijverheid aan te tonen. Waar nodig zal gebruik worden
    gemaakt van aanvullend materiaal.

    lees meer

    << oudere artikelen  nieuwere artikelen >>