Bijlage I – 7.1 De voortgangsrapportagesJanuary 1, 1999
7.1 De voortgangsrapportages
De commissie heeft in de loop van het onderzoek tien brieven aan
de Voorzitter van de Tweede Kamer doen toekomen, waarvan negen als
kamerstuk zijn gedrukt Noot .
In deze brieven stelde de commissie de Kamer op de hoogte van de
voortgang van haar werkzaamheden. Daarbij nemen de brieven, waarin
de Kamer genformeerd wordt over de afspraken met de ministers van
Justitie en Binnenlandse Zaken met betrekking tot de behandeling
van gevoelige informatie, de voorwaarden waaronder een getuige voor
de commisie zou verschijnen en de inzage in het complete geheime
deel van de rapportage van de commissie-Wierenga, een bijzondere
plaats in. Immers, met deze afspraken werd nadere invulling gegeven
aan de rechten en plichten van zowel de commissie als de
getuigen.
lees meer
Inhoud Bijlage VJanuary 1, 1999
Bijlage V – Opsporingsmethoden
1 ALGEMENE INLEIDING
lees meer
Bijlage V – Doorzending ArubaJanuary 1, 1999
Doorzending Aruba
HR 22 oktober 1985, NJ 1986, 346
(Art.3 Opiumlandsverordening 1960 Aruba)
Uit een proces-verbaal blijkt dat in de kelder van de luchthaven
Schiphol in Nederland een koffer is gevonden door Nederlandse
opsporingsambtenaren, dat deze koffer daar door hen is geopend en
dat zij daarin (een op) herone (gelijkende stof) aantroffen. De
koffer is overgedragen aan de Rijkspolitie en onderzocht. Een
onderzoek naar de betreffende passagier leverde geen resultaat op,
waarna in overleg met de officier van justitie te Haarlem besloten
is de koffer overeenkomstig de aanwijzingen op het bagage-etiket
door te zenden naar Aruba met een daarin achterblijvende
hoeveelheid van 380 gram (van de 8055 gram) herone die niet in
beslag genomen werd verklaard, terwijl de rest in beslag genomen
werd. Rechtsvraag:
De feitelijke inbeslagneming had al plaatsgevonden in Nederland,
zodat de verdere verzending er een van de Staat was geweest,
terwijl die inbeslagneming slechts op last van de
rechter-commissaris had mogen geschieden. Was deze gang van zaken
onrechtmatig?
lees meer
Bijlage V – De zaak Henk R.January 1, 1999
De zaak Henk R.
Gerechtshof Amsterdam 1 december 1994, NJ 1995, 159
(Artt. 140 Sr en Opiumwetdelicten, art. 9 lid 1 aanhef onder b
Opiumwet (zoals deze tot 1 oktober 1994 gold), 125f en g
Sv)
Naar aanleiding van het opsporingsonderzoek in de zaak R. worden
bij het hof door de verdediging twee verweren gevoerd die, zo zij
slagen, tot niet ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie
in haar vervolging zouden moeten leiden.
lees meer
Bijlage V – Onvolledig dossierJanuary 1, 1999
Onvolledig dossier
Hof Amsterdam 4 februari 1993, NJ 1994, 113
Rechtsvraag:
Door de verdediging is opgeworpen dat een groot aantal
processen-verbaal van de activiteiten die in dezen zouden hebben
plaatsgevonden (pseudokopen) ontbreken, waardoor toetsing daarvan
door de rechter niet naar behoren mogelijk zou zijn. Tevens stelt
de verdediging de verantwoordelijkheid van de officier van justitie
voor pseudo-koop en under cover activiteiten aan de
kaak.
lees meer
Bijlage V – 4.3 Juridische grondslagJanuary 1, 1999
4.3 Juridische grondslag
4.3.1 Wettelijke regeling
Een afzonderlijke (formeel) wettelijke basis voor de
inlichtingeninwinning door middel van informanten ontbreekt. Of een
dergelijke basis noodzakelijk is, is een punt van discussie. Voor
zover de gedachte wordt aangehangen dat de politie al datgene mag
doen, wat ook gewone burgers mogen, is een wettelijke regeling voor
het passief ontvangen van informatie wellicht niet noodzakelijk.
Voor zover de gedachte wordt aangehangen dat elk overheidsoptreden
moet zijn gebaseerd op een wettelijke bepaling, kan aanknoping
worden gezocht bij enkele algemene – doorgaans als taakstellend
aangeduide – wettelijke bepalingen. In dat perspectief kan
inlichtingeninwinning worden beschouwd als een normale politietaak
die, evenals het leggen en onderhouden van contacten met andere
burgers, is te baseren op artikel 2 Politiewet 1993. Aangezien het
hier gaat om inlichtingeninwinning met het oog op de opsporing van
strafbare feiten, is ook verdedigbaar deze activiteit te baseren op
andere taakstellende artikelen, zoals de artikelen 141 en 142 Sv.
Op deze plaats kan vooralsnog in het midden blijven welk van beide
standpunten wordt ingenomen – dat wil zeggen of men geen wettelijke
basis noodzakelijk acht dan wel een taakstellend artikel
noodzakelijk en voldoende acht. Voor beide opvattingen geldt immers
dat een nadere wettelijke basis noodzakelijk is, indien (en/of voor
zover) inbreuk wordt gemaakt op grondrechten van burgers en indien
(en/of voor zover) andere redenen bestaan welke daartoe nopen.
lees meer
Bijlage V – 6.3 Juridische grondslagJanuary 1, 1999
6.3 Juridische grondslag
Voor informatie-inwinning door de politie bestaat geen
expliciete wettelijke regeling. Er wordt wel vanuit gegaan dat het
de politie vrijstaat aan een ieder vragen te stellen, maar niet
iedereen is het daar ongeclausuleerd mee eens.
lees meer
Bijlage V – 8.1 InleidingJanuary 1, 1999
8 INFORMATIEHUISHOUDING
8.1 Inleiding
8.1.1 Omschrijving informatiehuishouding
Het kenmerk van elke opsporingsmethode is het verzamelen van
informatie. Informatiehuishouding heeft betrekking op de opslag,
het beheer en de verstrekking van politiegegevens, ongeacht de
wijze van vergaring. Politiegegevens zijn bovenal tot een persoon
herleidbare gegevens.
lees meer
Bijlage VI – 10.5 ConclusiesJanuary 1, 1999
10.5 Conclusies
1. De functie van rechter-commissaris staat binnen de
rechterlijke macht veel meer dan vroeger in aanzien. Het vervullen
van de functie van rechter-commissaris draagt bij aan de
rechterlijke carrire. 2. Van een gemeenschappelijk strafrechtelijk
beleid kan binnen de kabinetten van de rechters-commissarissen niet
worden gesproken. Een dergelijk beleid wordt binnen de zittende
magistratuur in het algemeen niet wenselijk geacht in verband met
de onafhankelijkheid van de rechter.
lees meer
Bijlage VI – 2.5 AfsluitingJanuary 1, 1999
2.5 Afsluiting
De wettelijke organisatie van de opsporing is complex. In de
navolgende hoofdstukken geeft de commissie een overzicht van de
activiteiten van de organisaties die een rol spelen bij de
opsporing van georganiseerde criminaliteit.
lees meer
Bijlage VI – 5.2 Organisatie ondersteunende dienstenJanuary 1, 1999
5.2 Organisatie ondersteunende diensten
5.2.1 Algemeen
De taak en organisatie van deze diensten zijn in de 25
regiokorpsen niet altijd dezelfde. Zelfs de naamgeving verschilt.
Toch zijn enkele algemene opmerkingen vooraf te maken.
De taken van de ondersteunende diensten worden gekenmerkt door
enerzijds een vereiste van expertise, specialisatie en anderzijds
door het geheime karakter van een aantal gehanteerde methoden. Dit
laatste kenmerkt wordt nu verder behandeld. Zaken betreffende het
kenmerk expertise en specialisatie komen in de volgende
deelparagrafen aan de orde.
lees meer
Bijlage VI – 7.4 De Economische Controle DienstJanuary 1, 1999
7.4 De Economische Controle Dienst
7.4.1 De organisatie
De ECD heeft als centrale taakstelling de preventie en
bestrijding van economische (bedrijfs)criminaliteit die van een
zodanige omvang is, dat daardoor sprake is van een belemmering van
gezonde economische groei en van aantoonbare schade voor de
overheid, het bedrijfsleven en/of consumenten. Noot In
totaal werken er 202 mensen bij de ECD, waarvan 156 in de functie
van rechercheur. De ECD organiseert samen met de AID, DRZ-VROM en
Milieu een cursus voor de opleiding tot controleur en buitengewoon
opsporingsambtenaar. De dienst bestaat na de laatste reorganisatie
in 1993 uit drie hoofdafdelingen, te weten: de Economische
Ordeningsrecherche (EOR, 60 formatieplaatsen), de Internationale
Economische Recherche (IER, 62 formatieplaatsen) en de Financieel
Economische Recherche (FER, 34 formatieplaatsen). Daarnaast is er
de Centrale inlichtingen- en analysedienst, een pseudo CID. Voor
1995 waren in totaal bijna 7000 opsporingsonderzoeken gepland.
Noot
lees meer
9.5.1 De minister van JustitieJanuary 1, 1999
9.5.1 De minister van Justitie Noot
De traditionele rolverdeling waarbij het OM is belast met
concrete strafrechtelijke onderzoeken en de minister van Justitie
met beleidsaangelegenheden heeft in de loop der jaren veranderingen
ondergaan. Het OM voert ook zelf beleid en dat vergt afstemming met
het ministerie.
lees meer
Bijlage VII – III.6. BesluitJanuary 1, 1999
III.6. Besluit
Uit de bovenstaande beschrijving van de gehanteerde
onderzoeksmethoden, de geraadpleegde bronnen en de uitgevoerde
onderzoeken blijkt wel dat de onderhavige studies er voornamelijk
op gericht zijn om de aard van de georganiseerde criminaliteit te
kunnen beschrijven. Dit wil niet zeggen dat in de deelrapporten
alln de aard van de georganiseerde criminaliteit aan bod is
gekomen. Er is wel geprobeerd, zoveel als dat wetenschappelijk
verantwoord en mogelijk was, bepaalde ontwikkelingen, bijvoorbeeld
die van de liquidaties, te kwantificeren.
lees meer
Bijlage VII – VI.1. InleidingJanuary 1, 1999
VI. BRUGFUNCTIES IN DE GEORGANISEERDE
CRIMINALITEIT
VI.1. Inleiding
Zoals in het vorige hoofdstuk naar voren is gekomen, opereert de
georganiseerde criminaliteit niet in een maatschappelijk vacum.
Criminele groepen onderhouden tal van parasitaire en symbiotische
relaties met legale sectoren van de samenleving. In deze zin is de
wettige wereld een levensvoorwaarde voor de georganiseerde
criminaliteit. Ook in dit hoofdstuk wordt de aandacht gevestigd op
de verbindingen tussen de georganiseerde criminaliteit en de
conventionele samenleving. De nadruk ligt hier op de manier waarop
de wettige wereld zich leent voor het leveren van hand- en
spandiensten aan de georganiseerde criminaliteit. Als gevolg
hiervan worden niet alleen de gepleegde misdrijven, maar ook de
illegaal verkregen opbrengsten effectief afgeschermd van de
politie, justitie en fiscus.
lees meer
<< oudere artikelen nieuwere artikelen >>