• Buro Jansen & Janssen, gewoon inhoud!
    Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, overheid in Nederland en de EU kritisch volgt. Een grondrechten kollektief dat al 40 jaar, sinds 1984, publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, veiligheid in breedste zin, bevoegdheden, overheidsoptreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Migratie

  • Politieklachten

  • Bijlage XI – 6.5. Inschakeling van de media

    6.5. Inschakeling van de media

    De vraag in hoeverre de media onder druk staan van de
    georganiseerde misdaad is in dit hoofdstuk contra de overheid in
    zoverre van belang dat de media de intermediair kunnen
    vormen waarlangs bedreigingen aan haar adres publiek worden
    gemaakt. Ook kunnen zij een middel vormen om politie en justitie in
    diskrediet te brengen, en dus te ondermijnen, met loze verhalen
    over corruptie en onrechtmatig optreden. Een andere vraag is in
    hoeverre de media zelf een branche vormen die door de
    georganiseerde misdaad wordt genfiltreerd. Over dat laatste is
    weinig bekend, maar we zullen er hier toch even bij stilstaan.
    Journalisten zijn altijd al spreekbuis geweest van prominente
    misdadigers. De verhalen die zij uit hun mond optekenen hebben niet
    zelden een romantische inslag. De levensgeschiedenissen van
    Pistolen Paultje, Haring Arie en Heer Olivier laten zich lezen als
    schelmenromans. De hoofdpersonen stellen zichzelf natuurlijk niet
    in een ongunstig daglicht en de lezers worden geacht hun avonturen
    met een korreltje zout te nemen. Dat wordt anders wanneer de
    verslaggever zich kritisch opstelt en het vraaggesprek aanvult met
    informatie uit bronnen die de betrokken misdadiger misschien liever
    niet had onthuld. Dan wordt het een
    kwestie van onderhandelen en is het maar de vraag welke waarheid in
    de media verschijnt. Ton van Dijk schreef in de jaren zeventig en
    tachtig stukken over Amsterdam als Redacteur Onderwereld en hield
    toen zijn voornaamste zegslieden uit de (negatieve) publiciteit.
    Jopie de Vries was van mening dat zijn kleine imperium ten onrechte
    steeds door de politie werd aangepakt omdat het het grootste was en
    de meeste aandacht trok. Als een goktent was gesloten liet De Vries
    aan Van Dijk zien welke ravage de politie nu weer had aangericht.
    Van Dijk schreef erover en hield Zwarte Jopie dan inderdaad uit de
    wind. Dit geldt ook in de richting van de politie:
    misdaadverslaggevers hebben vaste relaties met n of meer
    politiemensen die hun heldendaden graag vereeuwigd zien of die
    welbewust criminele nieuwsfeiten laten uitlekken om uiteenlopende
    redenen. De journalistieke vuistregel luidt in alle gevallen:
    iedere primeur is een lek. En dus zal een journalist doorgaans zijn
    bron niet noemen. De namen van vaste informanten, waar zij ook
    zitten, bereiken de publiciteit niet of slechts in verhulde
    vorm.

    lees meer

    Bijlage XI – 6.2. Benvloeding van de branches

    6.2. Benvloeding van de branches

    Racketeering van legale branches is een van de klassieke
    activiteiten van criminele groepen in Itali, Japan en de Verenigde
    Staten. Criminelen pogen zwakke bedrijven door middel van (het
    dreigen met) geweld in de macht te krijgen, af te persen en/of
    protectie te laten betalen of eventueel door middel van hun eigen
    illegale bedrijven de legale concurrentie uit te schakelen.

    lees meer

    Bijlage I – 2.1 Benoeming en constitutie van de commissie

    HOOFDSTUK 2 DE COMMISSIE EN HAAR STAF

    2.1 Benoeming en constitutie van de commissie

    Op 6 december 1994 deed de voorzitter van de Kamer mededeling
    aan de Kamer van de samenstelling van de commissie, de
    Enqutecommissie Opsporingsmethoden genaamd. De voorzitter benoemde
    tot lid:

    lees meer

    Bijlage I – 6.3 Gesprekken tijdens de verhoren

    6.3 Gesprekken tijdens de verhoren

    Tijdens de openbare verhoren heeft de commissie nog negen
    gesprekken gevoerd. Vijf van de negen gesprekspartners waren naar
    aanleiding van de verhoren aan de oorspronkelijke lijst van
    getuigen toegevoegd. Daarnaast heeft de commissie nog met drie
    getuigen gesprekken gevoerd, alvorens deze voor de tweede keer in
    het openbaar te horen.

    lees meer

    Inhoud Bijlage II

    Bijlage II – Verhoren 1-32

    1. prof. dr. C. Fijnaut
    2. prof. dr. F. Bovenkerk
    3. de heer J. Wilzing
    4. mr. R.A. Gonsalves
    5. de heer P.D. IJzerman
    6. prof. dr. H. van de Bunt
    7. prof. dr. G.J.N. Bruinsma
    8. prof. mr. G.J.M. Corstens
    9. mr. H.P. Wooldrik en mr. G.P. van de
    Beek

    10. prof. dr. J. Naey
    11. mr. R.A.F. Gerding
    12. de heer B.J.A.M. Welten
    13. de heer W.C. van Amerongen
    14. de heer H.A. Jansen
    15. mr. J.J.Th.M. Pieters
    16. de heer A. Kloosterman
    17. de heer A.A.M. Hellemons
    18. de heer A. Broere
    19. de heer P.C. van Duijne
    20. de heren B.N. Barendregt en H.C.J.M.
    Theeuwes

    21. de heer A.M. Mosterd
    22. de heren J.C. van Looijen en D. van
    Teijlingen

    23. mr. F.C.V. de Groot
    24. mr. J. Koers
    25. mr. L.A.J.M. de Wit
    26. de heer R. Karstens
    27. de heer W.M. van Gemert
    28. prof. dr. F. Bovenkerk
    29. de heer W.J.A. Paulissen
    30. de heer W.H. Woelders
    31. mr. O.R. Dros
    32. mevrouw mr. I.E.W. Gonzales

    lees meer

    Bijlage V – 11.5 Inventarisatie van opsporingsmethoden in de Verenigde Staten van Amerika

    11.5 Inventarisatie van opsporingsmethoden in de Verenigde
    Staten van Amerika

    11.5.1 De georganiseerde misdaad in de Verenigde
    Staten

    Het Amerikaanse ministerie van Justitie (US Department of
    Justice
    ) definieert de georganiseerde misdaad als een langdurig
    gestructureerd en gedisciplineerd samenwerkingsverband van
    individun of groepen die financieel winstbejag beogen en dit geheel
    of gedeeltelijk bereiken met behulp van illegale middelen en
    hun
    activiteiten beschermen door middel van corruptie en omkoping.
    Het ministerie gaat daarbij uit van de veel voorkomende, maar niet
    noodzakelijke kenmerken: samenzwering, gebruik van geweld en
    bedreiging daarmee, systematische of hoog gedisciplineerde
    uitvoering van activiteiten, een hirarchische structuur van de
    organisatie waardoor de leiders vaak zelf niet feitelijk de
    strafbare handelingen verrichten, invloed in de handel, de politiek
    en de overheid met behulp van corruptie en omkoping, alsmede
    winstbejag door middel van illegale activiteiten zoals de
    drughandel, gokautomaten, kredietverlening met verhoogde rente en
    het witwassen van geld en investering of deelname in legale
    bedrijven. Noot

    lees meer

    Bijlage V – Omgekatte auto’s

    Omgekatte auto’s

    Rechtbank ‘s-Hertogenbosch 12 juni 1992, park.nr. 037.044/92 en
    Hof ‘s-Hertogenbosch 19 december 1992, park. nr 20.001178.92
    (Artt. 311 lid 1 aanhef onder 4 j 310, 219 aanhef onder 1 j 45
    Sr en 150 j 148 lid 3 Sv)
    Op 20 december 1992 deelde de
    politie, de officier van justitie telefonisch mede, dat uit CID
    informatie was gebleken, dat in een bepaalde schuur gestolen auto’s
    waren ondergebracht om omgekat te worden (dat is het voorzien van
    een ander chassisnummer en dergelijke om weer verkocht te kunnen
    worden). De officier besloot op grond van de bepaling van de schouw
    (art. 150 Sv juncto 148 lid 3 Sv) in die schuur te gaan kijken,
    teneinde de juistheid van die informatie vast te stellen. De
    rechthebbende op die schuur werd hiervan niet op de hoogte
    gesteld.

    lees meer

    Bijlage V – Overzicht jurisprudentie opsporingsmethoden

    Overzicht jurisprudentie opsporingsmethoden

    1961
    HR 24 oktober 1961, NJ 1962, 36
    1979
    HR 4 december 1979, NJ 1980, 356
    1980
    HR 5 februari 1980, NJ 1980, 319
    1981
    HR 8 december 1981, NJ 1982, 533
    1982
    Rb Rotterdam 19 oktober 1982, NJ 1983, 207 en Ars Aequi (1984), p.
    631-642 1983
    HR 14 juni 1983, NJ 1983, 784
    HR 28 juni 1983, NJ 1983, 798
    1984
    EHRM 2 augustus 1984, NJ 1988, 534
    HR 3 januari 1984, NJ 1984, 440
    HR 10 januari 1984, NJ 1984, 421
    HR 17 januari 1984, NJ 1984, 405 en Ars Aequi (1984), p.
    631-642
    HR 20 maart 1984, NJ 1984, 549
    HR 8 mei 1984, NJ 1984, 741
    HR 11 september 1984, (nr. 4397) (ongepubliceerd)
    HR 25 september 1984, NJ 1985, 426
    HR 25 september 1984, NJ 1985, 427
    Rb ‘s-Gravenhage 29 juni 1984, NJ 1985, 815
    Rb Rotterdam 28 maart 1984, NJ 1984, 508
    1985
    Hof ‘s-Hertogenbosch 3 april 1985, (nr. 201.472/4)
    ongepubliceerd
    HR 5 februari 1985, NJ 1985, 473
    HR 28 mei 1985, NJ 1985, 822
    HR 25 juni 1985, NJ 1986, 109
    HR 22 oktober 1985, NJ 1986, 346
    HR 10 december 1985, NJ 1986, 462
    Rb Amsterdam 16 december 1985, NJ 1986, 302
    Rb Roermond 12 september 1985, KG 1985, 299, NJ 1987, 299
    1986
    Hof ‘s-Hertogenbosch 13 maart 1986, NJ 1986, 711
    Hof ‘s-Hertogenbosch 2 juli 1986, NJ 1987, 451
    HR 28 januari 1986, Fiscaal Weekblad 1988, 34
    HR 4 maart 1986, NJ 1986, 612
    HR 6 mei 1986, NJ 1987, 26
    HR 27 mei 1986, NJ 1987, 298
    HR 14 oktober 1986, NJ 1988, 511
    1987
    EHRM 26 maart 1987, Publications of the European Court of Human
    Rights, Series A, Vol. 116 en NJCM-Bulletin 13 (1988) 2: p.
    148-166
    HR 3 februari 1987, NJ 1987, 918
    HR 17 maart 1987, NJ 1988, 155
    HR 14 april 1987, NJ 1988, 515
    HR 8 december 1987, NJ 1988, 690
    1988
    Hof ‘s-Gravenhage 8 april 1988, NJ 1988, 978
    HR 16 februari 1988, NJ 1988, 793
    HR 16 februari 1988, NJ 1988, 822
    HR 12 april 1988, NJ 1988, 1040
    HR 3 mei 1988, NJB 1988, 240
    Rb Rotterdam 4 mei 1988, NJ 1988, 804
    1989
    EHRM 30 maart 1989, NJ 1991, 522
    EHRM 7 juli 1989, NJ 1991, 659
    EHRM 20 november 1989, NJ 1990, 245
    HR 17 januari 1989, NJ 1989, 575
    HR 7 februari 1989, NJ 1989, 577
    HR 24 oktober 1989, NJ 1990, 239
    HR 14 november 1989, NJ 1990, 480
    Rb Amsterdam 6 februari 1989, NJ 1989, 849
    1990
    EHRM 24 april 1990, NJ 1991, 523
    EHRM 27 september 1990, NJ 1993, 707
    Hof ‘s-Hertogenbosch 26 juli 1990, NJ 1990, 787
    HR 16 januari 1990, NJ 1990, 454
    HR 5 juni 1990, NJ 1990, 770
    HR 2 juli 1990, NJ 1990, 751
    HR 2 oktober 1990, NJ 1991, 130
    HR 9 oktober 1990, NJ 1991, 98
    HR 6 november 1990, (nr. 87.586) gedeeltelijk in NJCM-Bulletin
    (1991) p. 879 HR 13 november 1990, NJ 1991, 278
    HR 4 december 1990, NJ 1991, 327
    Rb Roermond 16 augustus 1990, NJ 1991, 390
    1991
    EHRM 19 februari 1991, NJ 1993, 708
    Hof ‘s-Gravenhage 28 februari 1991, NJ 1993, 148
    Hof ‘s-Hertogenbosch 18 maart 1991, NJ 1991, 426
    HR 5 februari 1991, NJ 1991, 403
    HR 19 februari 1991, NJ 1992, 50
    HR 25 juni 1991, NJ 1991, 807
    HR 8 oktober 1991, NJ 1992, 139
    HR 8 november 1991, NJ 1992, 277
    Rb Rotterdam 30 januari 1991, NJ 1991, 391
    Rb Maastricht 14 november 1991, (nr. 03/011.600/90)
    (ongepubliceerd)
    1992
    EHRM 15 juni 1992, NJ 1993, 711
    EHRM 16 december 1992, Publications of the European Court of Human
    Rights, Series A, Vol. 247 EHRM 16 december 1992, NJ 1993, 400
    Hof ‘s-Gravenhage 28 september 1992, NJ 1993, 65
    Hof ‘s-Gravenhage 17 november 1992 (ongepubliceerd)
    HR 14 januari 1992, NJ 1992, 360
    HR 7 februari 1992, NJ 1993, 78
    HR 18 februari 1992, NJ 1992, 546
    HR 10 maart 1992, NJ 1992, 792
    HR 28 april 1992, NJ 1992, 611
    HR 12 mei 1992, NJ 1992, 631
    HR 9 juni 1992, NJ 1992, 773
    HR 8 juli 1992, NJ 1993, 30
    HR 14 september 1992, NJ 1993, 56
    HR 13 oktober 1992, NJ 1993, 143
    HR 20 oktober 1992, NJ 1993, 156
    HR 24 november 1992, NJ 1993, 307
    Rb Arnhem 10 september 1992, NJ 1993, 278
    Rb ‘s-Hertogenbosch 23 juli 1992, (nr. 01/038.405/91)
    (ongepubliceerd)
    Rb Middelburg 6 november 1992, (nr. 12-005.005-92)
    (ongepubliceerd)
    1993
    EHRM 23 november 1993, Publications of the European Court of Human
    Rights, Series A, Vol. 277B en NJB-katern 1995, p. 491, nr. 41 Hof
    Amsterdam 4 februari 1993, NJ 1994, 113 Hof Amsterdam 22 december
    1993, (nr. 23-001.797-92) ongepubliceerd

    lees meer

    Bijlage V – 3.5 Casus

    3.5 Casus

    3.5.1 De zaak Charles Z. Een casus ter illustratie van de
    rechterlijke beoordeling van observatie

    Feiten en omstandigheden

    lees meer

    Bijlage V – 5.6. Casus

    5.6. Casus

    5.6.1. RAMOLA (Rabo Money Laundering)

    Een casus ter illustratie van pseudo-koop uitgevoerd
    door
    burgerinfiltranten.

    lees meer

    Bijlage V – 7.6 Kennemerland

    7.6 Kennemerland

    Bij het IRT en het verdere vervolg van de Delta-methode speelde
    de CID van de politieregio Kennemerland een belangrijke rol. Onder
    verantwoordelijkheid van de CID Kennemerland blijkt de methode ook
    na de ophefffing van het IRT te zijn toegepast. In het onderzoek
    van de commissie zijn nieuwe feiten naar voren gekomen die een
    ander licht werpen op de door het IRT toegepaste Delta-methode.

    lees meer

    Bijlage VI – 10.1 Inleiding

    10 RECHTERS-COMMISSARISSEN

    10.1 Inleiding

    10.1.1 Algemene introductie

    In Nederland bepaalt niet de rechter-commissaris, maar de
    officier van justitie de aard en de omvang van het strafrechtelijk
    onderzoek. Oorspronkelijk, in het Wetboek van Strafvordering van
    1838, droeg de rechter-commissaris de verantwoordelijkheid voor de
    instructie, het deel van het onderzoek naar misdaden, waarin
    dwangmiddelen tegen de persoon van de verdachte konden worden
    aangewend en de verdachte werd gedwongen zich aan het
    strafonderzoek te onderwerpen. Na de wijziging in het Wetboek van
    Strafvordering in 1886 en de vernieuwing ervan in 1926 is de
    officier van justitie daarvoor de verantwoordelijke. De voor de
    officier van justitie geldende verplichting rechtsingang te
    vorderen, waarmee de rechter-commissaris werd ingeschakeld, is in
    1926 afgeschaft. De officier van justitie bepaalt zelfstandig of
    hij een gerechtelijk vooronderzoek vordert en dus de
    rechter-commissaris in het onderzoek betrekt. De vordering van de
    officier van justitie is voor de rechter-commissaris een voorwaarde
    voor bevoegdheidsuitoefening. Noot En als de
    rechter-commissaris zijn werk heeft gedaan en het gerechtelijk
    vooronderzoek is gesloten, is het het openbaar ministerie dat
    beslist over verdere vervolging.

    lees meer

    Bijlage VI – 2.1 Inleiding

    2 ORGANIEK WETTELIJK KADER EN
    ORGANISATIESTRUCTUUR

    2.1 Inleiding

    Onderzoek naar de organisatie van de opsporing begint met
    inzicht in het wettelijk kader en de organisatiestructuren van de
    organisaties die betrokken zijn bij die opsporing. De
    enqutecommissie geeft hier een kort overzicht van de meest
    relevante bepalingen en taakomschrijvingen. Tegen deze achtergrond,
    die de structuur van de Nederlandse opsporing omvat, kunnen de
    volgende hoofdstukken uit deze bijlage worden begrepen.

    lees meer

    4.5.1 De korpsbeheerder

    4.5.1 De korpsbeheerder Noot

    De korpsbeheerders achten het in het algemeen voldoende als politie
    en openbaar ministerie aangeven dat er voldoende menskracht wordt
    ingezet voor de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit.
    Noot Zij hebben als burgemeester en als voorzitter van
    het regionaal college daarnaast groot belang bij de plaatselijke
    criminaliteitsbestrijding. Het is waarschijnlijk geen toeval dat de
    burgemeesters van de grote steden voorop lopen in de strijd tegen
    de georganiseerde misdaad. Juist in die steden is de overlast van
    die vorm van misdaad merkbaar. Dat betekent echter niet dat zij
    steeds zeer precies worden genformeerd over de gang van zaken bij
    grote onderzoeken.

    lees meer

    Bijlage VI – 6.8 Conclusies

    6.8 Conclusies

    1. De eerste initiatieven voor de totstandkoming van kernteams
    kwamen van de zijde van de politie. Zij waren gericht op
    onderzoeken die een bovenregionale aanpak vereisten. Later werden
    de kernteams door het ministerie van Justitie en de top van het
    openbaar ministerie ook beschouwd als instrumenten voor een
    centrale aansturing van de bestrijding van de georganiseerde
    misdaad.

    lees meer

    << oudere artikelen  nieuwere artikelen >>