Bijlage VII – I.2. De opzet van het onderzoekJanuary 1, 1999
I.2. De opzet van het onderzoek
Reeds in januari 1995 besliste de Enqutecommissie – mede in het
licht van het parlementaire debat – om een externe onderzoeksgroep
de aard, omvang en ernst van de zware, georganiseerde criminaliteit
in kaart te laten brengen. Meer bepaald werd aan de auteurs van dit
rapport – prof. dr. C. Fijnaut (onderzoeksleider), prof. dr. F.
Bovenkerk, prof. dr. G. Bruinsma en prof. dr. H. van de Bunt –
gevraagd onderzoek te doen naar drie zaken:
lees meer
Bijlage VII – IV.5. De diefstal van auto’sJanuary 1, 1999
IV.5. De diefstal van auto’s
In aansluiting op de laatste opmerking kan deze paragraaf over de
diefstal van auto’s het beste worden begonnen met een herhaling van
de reden waarom in het onderhavige onderzoeksproject speciaal deze
vorm van diefstal onder de loep is genomen. Het argument hiervoor
is dat ook in de internationale literatuur keer op keer wordt
gesteld dat autodiefstallen niet alleen worden gepleegd door
groepen beroepsdieven maar ook door criminele groepen die algemeen
worden gerekend tot het milieu van de georganiseerde criminaliteit,
zoals de diverse geledingen van de Italiaanse mafia. Waarom ook
deze groepen zich bezighouden met de diefstal van auto’s, valt
gemakkelijk te begrijpen. Enerzijds kunnen auto’s met gemak op
betrekkelijk grote schaal worden gestolen en tegen relatief veel
geld worden (door-)verkocht, anderzijds is de pakkans voor de
daders erg gering en is, in het geval dat zij toch worden gepakt,
de straf gewoonlijk laag. Blijkens de deelstudie over de
autobranche worden er in Nederland jaarlijks tussen de 30.000 en
35.000 (vracht)auto’s gestolen. Het grootste deel hiervan wordt
echter teruggevonden. Het deel dat overblijft – tussen de 5.000 en
7.000 personenauto’s en een kleine 200 vrachtauto’s – wordt dus
echt gestolen. Wie voor laatstbedoelde diefstallen verantwoordelijk
zijn, is niet zo duidelijk. En dit ook om de reden die in het
voorgaande al werd gesuggereerd: de bestrijding van deze vorm van
diefstal geniet landelijk geen prioriteit. En dus zijn ook de
gegevens over de betrokken (groepen) dieven aan de schaarse kant.
Uit de landelijke studie betreffende de rol van allochtone en
buitenlandse groepen in het bedrijven van georganiseerde
criminaliteit in Nederland, is gebleken dat er weliswaar ook in
Surinaamse, Marokkaanse en Nigeriaans-Ghanese kringen somtijds
bendes actief zijn die auto’s (laten) stelen om ze vervolgens naar
hun land van herkomst te verschepen (via Rotterdam en Antwerpen),
maar dat na de val van De Muur vooral Russische en Joegoslavische
bendes op dit gebied actief zijn geworden. Dit is ook naar voren
gekomen in de plaatselijke studies, zij het dat de politie in
Amsterdam – door gebrek aan onderzoek – niet echt kijk heeft op de
activiteiten van deze groepen. Wel heeft zij door middel van
onderzoek vastgesteld dat er in de stad zo’n 10 groepen
professionele autodieven van Nederlandse origine werkzaam zijn.
Verder neemt zij aan dat tenminste enkele van deze groepen in
contact staan met buitenlandse (Ghanees-Nigeriaanse, Russische)
handelaren in gestolen auto’s. De meeste wetenschap die in dit
onderzoeksproject over (de plegers van) autodiefstallen werd
vergaard, is geput uit 30 dossiers aangaande autodiefstallen die
ons van overal uit het land werden toegestuurd. De meeste van deze
dossiers hebben betrekking op autochtone groepen autodieven, enkele
op groepen die uit Oost-Europa afkomstig zijn (Rusland, Letland,
Oekrane en voormalig Joegoslavi). Hun analyse leert dat de
autochtone groepen gewoonlijk slechts op lokale of regionale schaal
werken en jaarlijks tussen de 10 en 15 auto’s stelen. Gemiddeld
tellen zij vier tot vijf man waartussen een zekere werkverdeling
bestaat: sommigen zijn beter in het stelen en verrijden van auto’s,
anderen beschikken over de vaardigheden die nodig zijn om auto’s om
te katten, papieren te vervalsen, enzovoort. Deze groepen kennen
geen echte leider, maar hebben meestal wel een centrale figuur die,
omdat hijzelf eigenaar is van een garage, een autosloperij of een
werkplaats, goed thuis is in de (il)legale autohandel en zodoende
ook met enig gezag taken kan verdelen en transacties weet af te
wikkelen. Doorgaans kennen de kernleden van deze groepen elkaar al
lange jaren, al was het maar omdat zij familieleden zijn of in
dezelfde buurt of op hetzelfde woonwagenkamp zijn opgegroeid. Er
hoeven in zulke groepen dan ook geen (positieve en/of negatieve)
sancties te worden toegepast om een vlotte, loyale samenwerking te
verzekeren. Niettemin treffen de meeste groepen wel de bekende
voorzorgsmaatregelen om hun illegale activiteiten af te schermen,
zoals afzien van het gebruik van de telefoon om zaken te regelen.
Veel verder behoeven zij ook niet te gaan, omdat zij zo goed als
niets te duchten hebben van de politie. Overigens plegen de leden
van deze groepen veelal niet alleen autodiefstallen, maar maken zij
zich ook schuldig aan onder meer inbraak en heling. De buitenlandse
groepen zijn gewoonlijk groter. Hun kern telt zo’n vijf tot acht
leden. Daarenboven doen zij veelal beroep op andere
personen/groepen om speciale onderdelen van de illegale handel voor
hun rekening te nemen. Hierbij kan men zowel denken aan de
inschakeling van buitenlanders zoals Joegoslaven, die zich in het
plegen van autodiefstallen hebben gespecialiseerd, als aan het
aantrekken van landgenoten die de gestolen auto’s vliegensvlug over
de grens moeten rijden of naar de haven van Rotterdam, Amsterdam of
Antwerpen moeten brengen. Sommige van deze groepen gebruiken
officieel erkende garages of import- en exportbedrijven om hun
illegale handel af te schermen.
lees meer
Bijlage VII – VII.1. De landelijke situatieJanuary 1, 1999
VII.1. De landelijke situatie
Er is in Nederland geen instantie die een goed beeld heeft van
de schaal waarop door criminele groepen contrastrategien worden
gehanteerd. Ook de BVD en de rijksrecherche beschikken niet over de
informatie om hiervan een adequaat beeld te construeren. Dit hangt
ten dele samen met hun positie, taak en bevoegdheden binnen het
openbaar bestuur, ten dele met het (geheimzinnig en controversieel)
karakter van de bedoelde strategien zelf, en ten dele zeker ook met
de belangen die lagere en hogere overheden hebben bij het
stilhouden van hun ervaringen met de toepassing ervan. Zelfs van
het onderwerp waar rond de laatste jaren nog de meeste openheid tot
stand is gebracht, namelijk politile corruptie, bestaat nergens bij
de centrale overheid, inclusief de zojuist genoemde instanties, een
goed overzicht (Fijnaut, 1993). En hier kan in n adem aan worden
toegevoegd dat het grote tekort aan ambtelijk inzicht tot nu toe
niet is goedgemaakt door adequaat empirisch wetenschappelijk
onderzoek (Hoetjes, 1991; Huberts, 1992).
lees meer
Bijlage VIII – 3.4. Tot besluitJanuary 1, 1999
3.4. Tot besluit
Ter afronding van dit hoofdstuk kan allereerst met nog groter
stelligheid dan in het begin worden beweerd, dat er in Nederland
geen octopus is die de georganiseerde criminaliteit in het gehele
land omspant. Een dergelijke syndicaat bestaat niet, ook niet in de
sfeer van de drugsgroothandel. Wat men in deze handel wel ziet,
werd hiervoor met een aantal voorbeelden duidelijk gemaakt: een
beperkt aantal criminele groepen van heel verschillend kaliber die
elk een deel van de hashmarkt bezetten.
lees meer
Bijlage VIII – 2. Over de geschiedenis van de georganiseerde
criminaliteit in NederlandJanuary 1, 1999
2. Over de geschiedenis van de georganiseerde criminaliteit
in Nederland
Nederland kan niet bepaald het land worden genoemd met een grote
traditie op het vlak van de geschiedschrijving in de sfeer van
misdaad en straf. Slechts sedert de jaren zeventig bestaat er een
kleine kring van historici, antropologen en criminologen die
interesse hebben voor de geschiedenis van de criminaliteit en de
strafrechtspleging in Nederland. Hun geschriften hebben tot nu toe
evenwel hoofdzakelijk betrekking op de manier waarop door overheden
op het probleem van de criminaliteit werd gereageerd. Dit probleem
zelf werd dan ook veelal slechts in functie van deze invalshoek
behandeld (Faber, 1983; Spierenburg, 1984; Diederiks en Roodenburg,
1991). Er is echter een gelukkige uitzondering: de geschiedenis van
het bendewezen in en rond de Republiek in de achttiende eeuw.
lees meer
Bijlage VIII – I. ALGEMENE INLEIDINGJanuary 1, 1999
I. ALGEMENE INLEIDING
Een van de hoofdvragen, waarop de Enqutecommissie een antwoord
moet geven, is de vraag naar de aard, ernst en omvang van de
georganiseerde criminaliteit in Nederland. Voor een ieder die in de
voorbije jaren de berichtgeving over grotere strafzaken heeft
gevolgd, zal het duidelijk zijn dat in dit antwoord niet alleen
aandacht mag worden geschonken aan de rol van autochtone,
Nederlandse, groepen in die criminaliteit, maar dat ook het nodige
dient te worden gezegd over de rol die buitenlandse en allochtone
groepen hierin spelen. Over deze laatste groepen gaat dan ook dit
rapport. De rol van autochtone groepen in de georganiseerde
criminaliteit in Nederland wordt door Cyrille Fijnaut belicht in
het gelijknamige rapport van zijn hand.
lees meer
Bijlage VIII – V.1. De georganiseerde criminaliteit in Hong
KongJanuary 1, 1999
V.1. De georganiseerde criminaliteit in Hong Kong
V.1.1. Het verhaal van de triades
Het probleem van de Chinese georganiseerde criminaliteit wordt
nogal gemakkelijk op een lijn gesteld met het probleem van de
triades. Maar net zoals de kwestie van de georganiseerde
criminaliteit in Itali niet kan worden gelijkgesteld aan die van de
mafia en haar vier geledingen, zo mag ook in dit geval de
georganiseerde criminaliteit niet op n en dezelfde hoop worden
gegooid. De triades – ook in hun eigentijdse uitmonstering – vormen
slechts een deel van het probleem. En juist om ook dat andere deel
goed te kunnen begrijpen, is het van belang dat het verhaal van de
triades wordt verteld.
lees meer
Bijlage VIII – VII.5. Colombianen in Nederland en hun
criminaliteitJanuary 1, 1999
VII.5. Colombianen in Nederland en hun criminaliteit
Volgens opgave van het Centraal Bureau voor de Statistiek hadden
zich in 1994 2.049 personen legaal gevestigd op Nederlands
grondgebied met een Colombiaans nationaliteit en nog eens 6.864
Colombiaanse mensen beschikten daarnaast ook nog over de
Nederlandse nationaliteit. Hun aantal neemt gestaag toe: in 1991
waren dat nog slechts 1.610 mensen met enkel de Colombiaanse en
5.605 mensen met een dubbele nationaliteit. Wie dit precies zijn is
niet bekend. Colombianen behoren niet tot de doelgroepen van het
Nederlandse minderhedenbeleid en, net zoals bij andere
Latino-bevolkingen, is er geen onderzoek naar hen gedaan. En ding
is wel heel duidelijk: ongeveer twee derde bestaat uit vrouwen. Is
hier ook sprake, zoals in Engeland, van Colombiaanse hulpen in de
huishouding? Het is wel waarschijnlijk dat er zich enkele politieke
vluchtelingen onder bevinden die in de jaren zeventig zijn
gearriveerd, maar veel kunnen dit er niet zijn. Wel volstrekt
duidelijk is het grote aantal prostitues onder deze vrouwen. Zij
hebben niet zelden eerst gewerkt in het beroemde prostitutiekamp
Campo Allegre op Curaao en van daaruit hebben zij, net zoals
prostitues uit de Dominicaanse Republiek en ook uit de Nederlandse
Antillen zelf, de oversteek gemaakt. Dat zovele van hen een dubbele
nationaliteit bezitten, kan betekenen dat een aantal van hen met
Hollandse mannen (ex-klanten?) is gehuwd. Er bevinden zich ook
nogal wat zusters onder en dat duidt op kettingmigratie. De trek
van Colombiaanse prostitues naar Nederland is al meer dan 15 jaar
oud en gaat vooraf aan de import van drugs. Verder leeft in
Nederland een onbekend aantal illegale Colubianen. Wie met de
plaatselijke politie daarover praat, krijgt gemakkelijk de indruk
dat eigenlijk alle Colombianen in Nederland – en dat geldt zeker
het aantal illegale Colombianen wier aantal wij per definitie niet
kennen – wel op de een of andere manier zijn verbonden met de
handel in drugs. Maar het gezichtspunt van de politie is
noodzakelijkerwijs selectief en Colombianen buiten het criminele
circuit komen niet in hun vizier. De Argentijnse criminoloog Damian
Zaitch is met een etnografisch onderzoek naar deze gemeenschap
begonnen. Hij treft in Amsterdam en Rotterdam een rijk
verenigingsleven aan dat op zichzelf helemaal niet met de wereld
van de drugs hoeft te zijn verbonden. Er zijn politieke clubs,
culturele verenigingen, migranten-zelfhulporganisaties en
feministische groeperingen. Hij stuit eveneens op kerkelijke
organisaties die taalcursussen geven. Maar hij ontwaart ook een
uitgebreid horeca-circuit, een aantal (vecht-)sportscholen waar
Colombianen veel komen en dansgelegenheden waar de connectie met de
cocanehandel wel bestaat. Zaitch verwondert zich over de open en
ontspannen manier waarop onder Colombianen in Nederland met cocane
wordt omgegaan. Op grond van wat wij daar in het bijzonder in
Amsterdam over aantreffen en waarvan verslag is gedaan in het
Amsterdamse rapport in deze serie, lijkt de uitspraak te verdedigen
dat een aanmerkelijk deel van de kleine Colombiaanse gemeenschap op
de een of andere manier wel degelijk een rol speelt bij de import
en de distributie van drugs.
lees meer
Bijlage VIII – X.2. Het optreden van de Joego-mafia in
DuitslandJanuary 1, 1999
X.2. Het optreden van de Joego-mafia in Duitsland
In diverse West-Europese landen vormt de criminaliteit die door
Joegoslavische bendes wordt bedreven een niet gering probleem. Maar
dit probleem wordt, hoe dan ook, het scherpst gevoeld in Duitsland
– het land waar van oudsher veel Joegoslaven wonen. Zoals in de
algemene inleiding al werd aangegeven, vormden volgens de
Lagebilder van het Bundeskriminalamt uit 1992 en 1993
Joegoslaven rond de 6% van alle verdachten (8.352 respectievelijk
9.884) in de betrokken opsporingsonderzoeken. De illegale
activiteiten waaraan dezen zich schuldig maken, liggen met name in
de sfeer van de drugshandel en in die van de woninginbraken.
Daarnaast zijn zij zeker ook betrokken bij
prostitutie/vrouwenhandel, illegaal gokken, diefstal van
(vracht)auto’s en de wapenhandel. Wat dit alles concreet zoal
betekent, is bijna uitsluitend in de journalistieke literatuur met
stukken en beetjes terug te vinden literatuur overigens die juist
ook op dit punt is gebaseerd op politie-informatie (Roth en Frey,
1992; Peters, 1994).
lees meer
Bijlage VIII – II.2. De emigratie naar NederlandJanuary 1, 1999
II.2. De emigratie naar Nederland
Suriname mag in politiek opzicht dan onafhankelijk zijn, in
economisch en cultureel opzicht is het volstrekt georinteerd, om
niet te zeggen: gefixeerd, op het voormalige moederland. Dat geldt
zowel in positieve zin: men reist erheen, gebruikt de Nederlandse
taal en drijft er handel mee, maar ook negatief: de Surinaamse
identiteit wordt verstevigd door zich af te zetten tegen het
Nederlandse neo-imperialisme. Legerleider Bouterse bewaakte zijn
zogenaamde revolutie door steeds weer te verklaren: Ik ben klaar
met Nederland! Een traditie van ruim honderd jaar emigratie naar
Nederland om er te studeren vormt daar onderdeel van. Als de
massa-emigratie in de jaren zeventig op gang komt, is Nederland
vrijwel de enige bestemming. Er is een kolonie van enkele duizenden
Surinamers te vinden in New York, honderdduizenden trokken naar
Holland. Toen de Amsterdamse sociaal-geograaf H. van Amersfoort in
1968 de eerste overzichtsstudie van Surinamers in Nederland
schreef, telde hij een aantal van tussen de 16.000 en 18.000
migranten. Voor een groot deel waren dat studerenden en mensen uit
de Surinaamse middenklasse die hier werkten als verpleegsters,
onderwijzers en ambtenaren. Voor een klein deel waren dat
arbeiders: afgemonsterde zeevarenden, geworven metaalarbeiders voor
de Amsterdamse scheepvaartindustrie en ambachtslieden die op de
bonnefooi kwamen. Zij wisten hun weg in de Nederlandse samenleving
goed te vinden en Surinamers golden voor de Hollandse bevolking als
een exotische groep. Een detail is voor het onderwerp van deze
studie belangrijk, zo zal verderop blijken: van oudsher zijn de
luchthaven Schiphol en de Nederlandse luchtvaartmaatschappijen voor
Surinamers zeer geliefde werkgevers. In een rapport van het
Landelijk Buro Racisme Bestrijding uit 1990, dat handelt over
mogelijke discriminatie van Surinaamse werknemers bij promotie en
ontslag wordt het belang van de nationale luchtvaartmaatschappij
voor de werkgelegenheid van Surinaamse immigranten in Nederland
onderstreept. Er was in de jaren zestig geen speciaal
werkloosheidsvraagstuk, er werden geen bijzondere sociale problemen
gesignaleerd behalve het (psychologische) aanpassingsprobleem en
over Surinaamse criminaliteit werd nauwelijks gesproken. Van
Amersfoort meende dat de emigratie kon worden opgevat als een vorm
van de verstedelijking die zich in veel landen van de Derde Wereld
in die jaren begon af te tekenen en dat was goed gezien. Paramaribo
puilde niet uit zoals steden in Latijns Amerika, de massa-emigratie
die in de jaren zeventig op gang kwam, richtte zich op de Randstad
Holland. Alle sociale categorien die de Surinaamse samenleving rijk
is, namen eraan deel. Vooral in de twee jaar voorafgaande aan de
abrupte onafhankelijkheid zwelde de stroom aan met mensen die het
zekere maatschappelijke bestaan van Nederland verkozen boven de
onzekere politieke toekomst van Suriname en zolang zij
staatsrechtelijk Nederlanders waren, kon dat ook nog. Onder de
emigranten bevonden zich nu ook Hindoestaanse en Javaanse
landbouwers, het stadsproletariaat en ook de hele en halve
werklozen van alle etnische groepen. Bovenkerk (1983) liet zien dat
alle groepen meededen aan de volksverhuizing, ook Chinezen,
Bosnegers, Libanezen en de afstammelingen van Nederlandse
kolonisten uit de vorige eeuw, de zogenaamde boeroes. Emigratie als
massaverschijnsel vormde een afspiegeling van de gehele Surinaamse
bevolking.
lees meer
IX – De branche van het wegtransport – 7.2 De
chauffeurscultuurJanuary 1, 1999
7.2 De chauffeurscultuur
Chauffeurs zijn over het algemeen laag opgeleid. Bijna zeventig
procent van alle chauffeurs heeft een LBO-opleiding of lager; ruim
twintig procent doorliep alleen de lagere school (Nota TLN, 1994).
Een bevestiging van het stereotype dat wil dat deze jongens op
school meer uit het raam naar vrachtauto’s zaten te kijken, dan in
hun boeken. Het is ook een echte mannencultuur; het aantal vrouwen
in het chauffeursbedrijf groeit weliswaar, maar bedroeg in 1991 nog
maar vier procent (Nota TLN, 1994). Op de baas wordt heel wat
afgescholden. De snelheidsbegrenzer en tachograafschijven zijn zeer
impopulair, want die perken de vrijheid van handelen in: het aantal
stops, de gemiddelde snelheid en het precieze aantal gereden en
geruste uren zijn na de rit door de baas precies te controleren.
Nog verder gaat de satelliet-controle die een groeiend aantal
internationale transportondernemingen heeft: via schotelverbinding
kan de ondernemer op ieder tijdstip zien waar zijn chauffeurs zich
bevinden. Volgens een genterviewde transporteur wilden zijn
chauffeurs in eerste instantie niets weten van deze nieuwe
controlemogelijkheid, maar willen ze nu niet meer zonder. Vooral op
overval-gevoelige landen biedt de directe communicatiemogelijkheid
een gevoel van veiligheid.
lees meer
IX – De branche van het wegtransport – 12.3 Andere vormen
van smokkelJanuary 1, 1999
12.3 Andere vormen van smokkel: wapens en mensen
Wat betreft de aard en omvang van wapensmokkel, tasten we
volledig in het duister. Aangezien er – onder andere – met name in
voormalig Joegoslavi een behoorlijk aantal wapens nodig is, moet er
smokkel van wapens plaatsvinden. Een genterviewde transporteur
vertelde dat er wel zeker door Nederlandse transportbedrijven naar
het oorlogsgebied wordt gereden, maar onduidelijk is met welke
lading. Onlangs dook in de pers een bericht op over
mensensmokkel in een Nederlandse vrachtauto. Het betrof een
groep vluchtelingen uit verscheidene landen (Marokko, Tunesi,
Somali, Irak en Iran) die vermoedelijk veel geld heeft betaald om
in West-Europa een herkomen te vinden. Een chauffeurs-echtpaar dat
al jaren op Marokko rijdt, vertelt over de vele verstekelingen die
zich op de veerboot onder of in de wagens proberen te verstoppen,
al wisten zij niet of chauffeurs ook geld aannemen van de
verstekelingen. Na verscherpte controle aan de Marokkaanse grens,
hebben zich mensensmokkelroutes ontwikkeld bij de Algerijnse grens,
zo staat eveneens te lezen in het rapport dat handelt over
allochtonen. In 1994 arresteerde de Italiaanse politie 6000
Algerijnse, Marokkaanse en Tunesische illegalen in Zuid-Itali, zo
vernemen we verder uit diverse Marokkaanse kranten waaronder Anoual
(22 mei 1995). Sindsdien heeft ook Algerije maatregelen genomen en
verplaatste de smokkel zich weer naar Marokko, van waaruit de
migranten met bootjes naar Algeciras worden gevaren, na betaling
van bedragen rond de 3000 gulden. Zowel de Spaanse als de
Marokkaanse douane en politie zou betrokken zijn bij deze
mensensmokkel, zo vernemen we uit deze Marokkaanse bronnen. Vanuit
Spanje gaan de illegalen naar Nederland, Belgi en Frankrijk, maar
het is onduidelijk of en hoe vaak de transportsector hierbij
gebruikt wordt. Uit de politiedossiers blijkt dat er Nederlandse
chauffeurs zijn aangehouden met verstekelingen uit Irak, Iran,
Egypte, Tunesi, Marokko en Somali aan boord: verscholen achter lege
bloemendozen in de lading. De betreffende chauffeurs verdienden
duizend gulden per gesmokkeld persoon.
lees meer
IX – De branche van het wegtransport – 3.2
BestemmingenJanuary 1, 1999
3.2 Bestemmingen
De belangrijkste landen waar de Nederlandse vervoersondernemers
naartoe rijden zijn op volgorde van grootte: Duitsland (22 miljoen
ton), Belgi en Luxemburg (12 miljoen ton), Frankrijk (ruim 4,5
miljoen ton), Itali (1,3 miljoen ton), Engeland (0,7 miljoen ton)
en Zwitserland (0,6 miljoen ton). Andere belangrijke uitvoerlanden
zijn Denemarken en Zweden (samen 1 miljoen ton). De belangrijkste
landen waar de Nederlandse vervoersondernemingen goederen vandaan
halen zijn in volgorde van grootte: Duitsland, Belgi en Luxemburg,
Frankrijk, Itali, Engeland en Zweden. Andere grotere importlanden
zijn Denemarken, Spanje en Zwitserland en Oostenrijk.
lees meer
IX – De zeehaven Rotterdam en de luchthaven Schiphol – 3.2.
Criminaliteit op de luchthaven SchipholJanuary 1, 1999
3.2. Criminaliteit op de luchthaven Schiphol
De luchthaven Schiphol (inclusief Seceurop Schiphol) en de
Koninklijke Marechaussee die vanaf 1 januari 1994 voor de
politiezorg op Schiphol verantwoordelijk is, verklaren weinig last
te hebben van
criminaliteitsvormen als autokraak, autodiefstal, diefstal van
bagage van passagiers en zakkenrollerij. Schiphol heeft relatief
weinig met (veelvoorkomende) criminaliteit te maken. Gezien het
grote aantal dagelijks geparkeerde auto’s (ruim 80.000) is het
aantal van 135 (in 1993) en 185 (in 1994) ontvreemde auto’s
relatief laag. De meeste auto’s worden voor joy-riding gebruikt
(zie ook het deelrapport van Bruinsma over (vracht)autodiefstallen
in Nederland). De autodiefstallen vinden gespreid over het jaar
plaats en vertonen geen piek in bepaalde maanden. Van de autodieven
zijn er in 1993 twee en in 1994 vier verdachten door de Koninklijke
Marechaussee aangehouden. Van de op het terrein van Schiphol
geparkeerde auto’s worden er per jaar ongeveer 290 opengebroken.
Zowel voor 1993 als 1994 zijn er van diefstal uit of vanaf auto’s
292 aangiftes gedaan. Dit aantal is vermoedelijk een onderschatting
van het werkelijke aantal, omdat veel passagiers niet goed weten
waar zij op Schiphol aangifte moeten doen, of na een lange
vliegreis maar besluiten thuis aangifte te doen bij de plaatselijke
politie. De meeste autokraken (bijna de helft) worden gepleegd in
parkeergarage P9 die vrij dicht is gelegen bij de aankomst- en
vertrekhal van Schiphol. Veel voorkomende delicten op openbare
plaatsen met druk personenverkeer, zijn bijvoorbeeld zakkenrollerij
en bagagediefstal Noot . In 1993 werd in 1722 gevallen
aangifte gedaan door passagiers en bezoekers; in 1994 bedroeg dat
aantal 1209. Ook bij deze aantallen kan worden aangetekend dat de
officile aangiftes een klein deel van het werkelijke aantal beslaan
omdat veel mensen pas na verloop van tijd hun bagage missen of hun
papieren kwijt zijn. Bovendien denken veel mensen in eerste
instantie dat zij een en ander hebben verloren of dat bij het
inchecken de bagage in het verkeerde vliegtuig is terecht gekomen.
In dat geval wordt aangifte gedaan van vermissing, niet van
diefstal. In de aankomsthal vindt bijna de helft van de
bagagediefstallen plaats, maar ook in de vertrekhal zijn de volle
koffers en tassen een aantrekkelijk doelwit voor dieven. Volgens de
Koninklijke Marechaussee worden zakkenrollerij en bagagediefstallen
professioneel georganiseerd door groepen daders die internationaal
opereren. Zij zijn gedurende enkele dagen op een bepaalde
luchthaven in Europa actief om vervolgens naar een andere
luchthaven te vertrekken voordat de opsporingsdiensten en
veiligheidsbedrijven alert worden en actie ondernemen.
Internationale contacten tussen opsporingsdiensten in Europa
bevestigen dit patroon van internationaal professioneel opererende
dieven. Het internationale karakter van de criminele groepen blijkt
uit gegevens over het land van oorsprong van de daders die zijn
aangehouden. Van de 78 aanhoudingen in 1993 waren 21 daders uit
Peru afkomstig, 19 uit voormalig Joego-Slavi, 11 uit Marokko, 9 uit
Frankrijk, 3 uit Nederland en een enkeling uit andere landen. In
1994 zijn 82 aanhoudingen verricht terzake van zakkenrollerij en/of
bagagediefstallen. Hiervan blijken 19 daders afkomstig te zijn uit
ex-Joego-Slavi, 17 uit Peru, 10 uit Algerije 8 uit Marokko en 7 uit
Chili en Frankrijk. Deze dieven werken volgens de Koninklijke
Marechaussee veelal in groepen en maar in een enkel geval
solistisch. Het is zeer moeilijk een hele groep gezamenlijk aan te
houden, omdat het bewijs van medeplichtigheid meestal moeilijk is
te leveren.
lees meer
IX – De autobranche en de (vracht)autocriminaliteit – 6.3.
Corruptie en smeergelden bij de opsporing van gestolen
auto’sJanuary 1, 1999
6.3. Corruptie en smeergelden bij de opsporing van gestolen
auto’s
Een aantal jaren geleden is een lid van de Koninklijke
Marechaussee op Schiphol door de rechter veroordeeld voor het feit
dat hij zelf in diensttijd en in vrije avonden op parkeerplaatsen
bij het vliegveld op zoek ging naar gestolen auto’s en die zelf
meldde aan verzekeringsmaatschappijen om het terugvindloon te
innen. In Nederland wordt in het geruchtencircuit wel vaker
gesuggereerd dat menig politie-agent daarmee extra inkomsten
verwerft, al dan niet met hulp van vrienden en kennissen. Gegevens
daarover bestaan er niet. Mocht dit het geval zijn dan moeten die
ambtenaren bij verzekeringsmaatschappijen bekend zijn. Maar deze
informatie wordt door de verzekeringsmaatschappijen gekoesterd als
bedrijfsgeheim. In ieder geval kan worden vastgesteld dat
verzekeringsmaatschappijen bepaalde vormen van corruptie in de hand
werken wanneer zij buiten de officile kanalen om
opsporingsambtenaren zouden betalen voor hun tips. Een even sterk
geruchtencircuit bestaat er over keurmeesters van keuringsstations
van de RDW die betalingen zouden ontvangen om gestolen en omgekatte
auto’s goed te keuren. Er bestaan echter geen concrete bewijzen van
dergelijke corruptie. Zij zijn wel een kwetsbare schakel in de
levering van gestolen auto’s aan de legale branche.
lees meer
<< oudere artikelen nieuwere artikelen >>