Uit de Haagsche Courant van 15 maart 1996
6.5 Gezag en toezicht op de opsporing
6.5.1 Openbaar ministerie
6.5.2 Openbaar ministerie landelijk
6.5.3 Rechters-commissarissen
6.5.4 Ministeries en korpsbeheerders
6.5.5 Parlement
6.6 Bijzondere bevindingen
6.4.1 Algemeen
6.4.2 Criminele inlichtingendiensten
6.4.3 Tactische recherche
6.4.4 Kernteams
6.4.5 Korps landelijke politiediensten
6.4.6 BVD
6.4.7 FIOD
6.4.8 Internationale samenwerking
6.3.1 Algemeen
6.3.2 Observatiemethoden
6.3.3 Informanten en infiltranten
6.3.4 Gecontroleerde aflevering en
doorlaten
6.3.5 Overige methoden
6.3.6 Opleiding
6.2 Verandering in de opsporing
Voordat de commissie ingaat op de drie onderdelen van de crisis
wil zij eerst een aantal meer algemene opmerkingen maken.
HOOFDSTUK 6 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
6.1 Verantwoording
HOOFDSTUK 5 BIJZONDERE BEVINDINGEN
5.1 Inleiding
5.2 Voorgeschiedenis
5.3 Informatie aan de Tweede Kamer
5.4 Verschillende onderzoeken
5.5 De bevindingen
5.6 Conclusie en aanbeveling
4.7 Tweede Kamer
De parlementaire enquétecommissie opsporingsmethoden
heeft over de rol van de Tweede Kamer twee beslispunten
geformuleerd. Deze resulteren in de volgende onderzoeksvragen:
4.4 Rechters-commissarissen
4.4.1 Vragen naar aanleiding van de beslispunten
4.3 Openbaar ministerie landelijk
Het recent aanvaarde wetsvoorstel Reorganisatie openbaar
ministerie geeft een formele basis aan zowel het Landelijk parket
als het College van procureurs-generaal. Om het openbaar ministerie
als één organisatie te laten functioneren wordt in
het wetsvoorstel de landelijke leiding over het openbaar ministerie
in handen gelegd van het College van procureur-generaal. Het
College laat zich hierbij – behalve door het eigen Parketgeneraal –
ondersteunen en adviseren door tal van landelijke werkgroepen en
commissies. Een deel van die overlegstructuren is actief op het
onderzoeksgebied van de parlementaire enquêtecommissie
opsporingsmethoden. Een bijzondere rol is weggelegd voor het
Landelijk parket in de aansturing van het Landelijk rechercheteam
en delen van het KLPD en in de beleidsontwikkeling met betrekking
tot de bestrijding van de (inter)nationale zware georganiseerde
criminaliteit.
4.2 Openbaar ministerie
De afgelopen jaren vond binnen het openbaar ministerie een
grootscheepse reorganisatie plaats. De aanleiding vormde het
rapport van de op verzoek van de Kamer ingestelde Commissie
openbaar ministerie (commissie-Donner, 1994). Het rapport bevatte
een analyse van de ontwikkelingen in taak en functioneren van het
openbaar ministerie. De commissie constateerde dat er kritiek was
ontstaan op het functioneren van het openbaar ministerie. Deze
kritiek was mede het gevolg van verdere differentiatie en
verbreding van de rechtshandhaving en het relatief schaarser worden
van de beschikbare middelen. De noodzaak tot afstemming en
prioritering die daarmee gepaard ging, zette het openbaar
ministerie steeds verder onder druk, en leidde tot kritiek op de
kwaliteit van vooral het bestuurlijk en beleidsmatig functioneren
van het openbaar ministerie. Tevens kwam aan het licht dat er in
toenemende mate onduidelijkheid was ontstaan over de kerntaak van
het openbaar ministerie (Kamerstuk 24 034, nr. 10, 1995-1996, p.
3). Samengevat functioneerde het openbaar ministerie kwalitatief en
als eenheid onvoldoende. Het Plan van aanpak dat vervolgens door
het kabinet werd geformuleerd vormde feitelijk het startpunt voor
een ingrijpende reorganisatie. Recent is het wetsvoorstel
Reorganisatie openbaar ministerie in de Eerste Kamer aangenomen.
Het wetsvoorstel doorbreekt het vroegere stelsel waarin – afgezien
van de rol van de vergadering van procureurs-generaal -vijf
territoriale procureurs-generaal naast elkaar werkten. Het College
van procureurs-generaal krijgt de landelijke leiding over het
openbaar ministerie in handen. Het wetsvoorstel verschaft het
Landelijk parket een formele basis. Het merendeel van de
beleidsvormende en bestuurlijke activiteiten die vroeger op het
ressortsparket werden verricht, zijn met de (ressortelijke)
procureurs-generaal mee overgegaan naar het Parket-generaal. Het
openbaar ministerie bestaat thans – vooruitlopend op genoemd
wetsvoorstel – uit negentien arrondissementsparketten en
één Landelijk parket, vijf ressorten en
één College van procureurs-generaal binnen het
Parket-generaal. De ressortsparketten hebben voornamelijk tot taak
strafzaken bij de gerechtshoven te behandelen en de juridische
kwaliteit van de rechtspleging in eerste aanleg te bewaken. Daar
vindt in mindere mate dan op de arrondissementsparketten de
feitelijke sturing en controle over de opsporing plaats. In deze
paragraaf zal daarom eerst worden ingegaan op de (gezags)taak van
het openbaar ministerie over de opsporing op arrondissementsniveau.
Vervolgens komt het openbaar ministerie op landelijk niveau aan de
orde (4.3). In die paragraaf gaat het in het bijzonder om het
functioneren van het College van procureurs-generaal, het Landelijk
parket, de Centrale toetsingscommissie en de verschillende
landelijke overlegstructuren.
HOOFDSTUK 4 GEZAG OVER EN TOEZICHT OP DE OPSPORING
4.1 Algemeen
3.9 Fiscale inlichtingen en opsporingsdienst (FIOD)
De bijzondere opsporingsdiensten kwamen in het rapport van de
parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden uitgebreid
aan de orde. Uit het rapport van de enquêtecommissie bleek
ook dat er slechts in beperkte mate door de bijzondere
opsporingsdiensten gebruik werd gemaakt van bijzondere
opsporingsmethoden. De commissie heeft het dan ook niet
noodzakelijk gevonden om in haar evaluatie uitgebreid aandacht te
besteden aan alle bijzondere opsporingsdiensten. De commissie
meende echter dat het voor het totale beeld van de opsporing in
Nederland wenselijk zou zijn een van de meest zichtbare bijzondere
opsporingsdiensten aan een onderzoek te onderwerpen. De commissie
heeft er voor gekozen de FIOD nader te onderzoeken. Op basis van
het enquêterapport kan een aantal onderzoeksvragen worden
geformuleerd die betrekking hebben op bijzondere opsporingsdiensten
in het algemeen. De commissie heeft deze onderzoeksvragen leidend
gemaakt voor haar onderzoek naar de FIOD.