Bijlage VIII – 2.3. De vroegere onderwerelden in
HollandJanuary 1, 1999
2.3. De vroegere onderwerelden in Holland
Over de ontwikkelingen in de eerste helft van de twintigste eeuw
zijn we niet zoveel beter genformeerd dan over die in de
negentiende eeuw. Weliswaar begon in die tijd de opbloei van de
criminologie haar eerste vruchten af te werpen, maar de dominante
orintatie van deze criminologie op de individuele dader bracht als
vanzelf met zich mee dat sociologische studies van criminele
groepen en hun leefwereld uitzonderingen bleven. En voorzover ze
dan toch werden vervaardigd, konden hun auteurs zich nog niet
altijd onttrekken aan de sterke invloed van de zogenaamde criminele
anthropologie (Van Schreven, 1957; Jens, 1939). Maar er is op
enkele punten toch wat meer empirisch houvast voor bepaalde
uitspraken. De beschikbare literatuur kan worden onderverdeeld in
twee categorien: enerzijds politile mmoires over de onderwereld in
de Hollandse grootsteden, anderzijds wetenschappelijke en
journalistieke studies over Brabantse bendes. Deze tweedeling sluit
natuurlijk aan op wat hiervoor is geschreven over de Grote
Nederlandse Bende, maar anticipeert tevens op wat nog te berde zal
worden gebracht over de opkomst en samenstelling van de
tegenwoordige drugsgroothandelsgroepen. In deze paragraaf zal de
bedoelde mmoire-literatuur kort worden besproken. De studies over
de criminaliteit in Brabant komen in de volgende paragraaf aan bod.
Lezend in al die mmoires krijgt men de indruk dat zeker in een stad
als Amsterdam het centrum van de onderwereld, de penose, in
die tijd al gauw enkele honderden personen moet hebben geteld. In
steden als Den Haag, Rotterdam en Utrecht was zij waarschijnlijk
wel wat minder omvangrijk (Fremery Kalff, 1961; Groen, 1952 en
1962; Kallenborn, 1953; Van Exel, 1951; Van Nie, 1964; Van Slobbe,
1937; Voordewind, 1949 en 1950). Deze stedelijke onderwereld werd
door allerhande figuren bevolkt: inbrekers, oplichters, dieven
allerhande, helers, pandjesbazen, opkopers, souteneurs,
drugssmokkelaars, enzovoort. En zij kende ook rangen en standen.
Een pakjesdief of kwartjesvinder kon zich niet meten met een
hoteldief of een oplichter. De meeste achting genoten jarenlang de
brandkastkrakers. Maar in de jaren dertig werd hun positie in het
gedrang gebracht door gangsters, mannen die naar Amerikaans
voorbeeld gewapenderhand overvallen uitvoerden op postkantoren en
bankinstellingen.
lees meer
Bijlage VIII – 2.2. De schone schijn van de negentiende
eeuwJanuary 1, 1999
2.2. De schone schijn van de negentiende eeuw
Op grond van de literatuur over de ontwikkeling van de
criminaliteit in de negentiende eeuw zou men kunnen denken dat het
na de ondergang van de grote roversbendes rond 1800 afgelopen was
met zulke vormen van georganiseerde criminaliteit. Immers, voor wat
betreft de negentiende eeuw is er nog nooit een serieuze studie
gemaakt van onderwerelden in de grote steden, noch van bendes die
al dan niet vanuit de steden op het platteland opereerden. Maar de
schone schijn die de bestaande literatuur op dit punt opwekt, moet
ook in dit geval bedrieglijk zijn. Indirect kan dit worden
opgemaakt uit het feit dat in de loop van de negentiende eeuw
eveneens in Nederland de strafrechtspleging steeds verder werd
uitgebouwd om bepaalde misdaadproblemen beter te kunnen beheersen.
Natuurlijk heeft haar toenmalige versterking ook haar wortels in de
politieke en economische veranderingen welke in die tijd
plaatsgrepen, maar zij stoelde vooral op de gedachte – en voor veel
tijdgenoten op het feit – dat zeker in de steden de misdaad een
steeds groter gevaar voor de gevestigde orde begon te vormen
(Fijnaut, 1985). Direct blijkt de realiteit van de voortzetting van
zoiets als stedelijke onderwerelden uit de schaarse studies die de
laatste jaren zijn gemaakt over de problematiek van orde en
veiligheid in de negentiende eeuw (Manneke, 1993).
lees meer
Bijlage VIII – 2.1. Het bendewezen in de achttiende
eeuwJanuary 1, 1999
2.1. Het bendewezen in de achttiende eeuw
Een van de eerste belangrijke hedendaagse studies over dit
onderwerp was van de hand van H. van den Eerenbeemt (1970) over het
bendewezen in de meierij van ‘s-Hertogenbosch rond 1800. Zij liet
zien hoe in dit gebied uit de kring van niet-gevestigde burgers:
bedelaars, marskramers, voddenkooplieden, kermisgasten, enzovoort,
keer op keer kleinere bendes werden geformeerd die, geholpen door
hun lotgenoten ter plaatse, links en rechts inbraken en overvallen
pleegden. De bendes die al meer dan twee eeuwen lang tot de
verbeelding spreken, zijn de roversbendes die in de achttiende eeuw
vooral in (het huidige) Zuid-Limburg huis hielden: de bendes van de
zogenaamde bokkerijders. Over deze bendes is in de voorbije eeuwen
natuurlijk veel geschreven, maar een van de weinige omvattende
onderzoeken over hun opkomst, samenstelling en bedrijvigheid, en
ondergang, is niet zo lang geleden afgerond door A. Blok (1991).
Uit dit onderzoek blijkt, dat de leden van deze bendes ook
overwegend uit de streek zelf kwamen. En – parallel aan de leden
van de Bossche bendes – hadden zij in het algemeen ook zwervende
beroepen (marskramers, vilders, verarmde ambachtslieden), die
maatschappelijk geen aanzien genoten. De samenhang die de bendes
van deze marginalen kenmerkte, berustte vooral op de banden van
verwantschap en buurtschap. Daarnaast speelde het besef te behoren
tot een soort van geheim subversief genootschap zeker ook wel een
rol hierbij. Net als in het geval van de Bossche bendes school de
kracht van de bokkerijders-bendes voor een groot stuk in de zwakte
van de overheid. De grote institutionele verdeeldheid van politie
en justitie belemmerde de effectieve bestrijding van al deze bendes
zeer.
lees meer
Bijlage VIII – 2. Over de geschiedenis van de georganiseerde
criminaliteit in NederlandJanuary 1, 1999
2. Over de geschiedenis van de georganiseerde criminaliteit
in Nederland
Nederland kan niet bepaald het land worden genoemd met een grote
traditie op het vlak van de geschiedschrijving in de sfeer van
misdaad en straf. Slechts sedert de jaren zeventig bestaat er een
kleine kring van historici, antropologen en criminologen die
interesse hebben voor de geschiedenis van de criminaliteit en de
strafrechtspleging in Nederland. Hun geschriften hebben tot nu toe
evenwel hoofdzakelijk betrekking op de manier waarop door overheden
op het probleem van de criminaliteit werd gereageerd. Dit probleem
zelf werd dan ook veelal slechts in functie van deze invalshoek
behandeld (Faber, 1983; Spierenburg, 1984; Diederiks en Roodenburg,
1991). Er is echter een gelukkige uitzondering: de geschiedenis van
het bendewezen in en rond de Republiek in de achttiende eeuw.
lees meer
Bijlage VIII – 1.2. De verdere opbouw van deze
studieJanuary 1, 1999
1.2. De verdere opbouw van deze studie
Om een beeld te geven van de rol die autochtone criminele
groepen spelen in de georganiseerde criminaliteit in Nederland, is
deze studie als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 wordt, zoals al
eerder werd aangegeven, ingegaan op de geschiedenis van de
georganiseerde criminaliteit in Nederland. De reden hiervan is niet
ver te zoeken. Niet alleen de georganiseerde criminaliteit van
buitenlandse groepen en binnen etnische gemeenschappen heeft een
geschiedenis, maar ook de georganiseerde criminaliteit die door
autochtone groepen wordt bedreven. En het is belangrijk om,
voorzover mogelijk, haar geschiedenis hier te releveren, met name
om de xenofobe gedachte tegen te gaan dat de criminaliteit in
kwestie hier de voorbije decennia door vreemdelingen en
buitenlanders is gemporteerd. Hoofdstuk 3 bevat een analyse van de
top van de georganiseerde criminaliteit in Nederland. Deze analyse
komt neer op een beschrijving – zoveel mogelijk conform het
analyse-schema dat algemeen in dit onderzoeksproject wordt
gehanteerd – van een klein aantal criminele groepen die in
Nederland tot de meest belangrijke worden gerekend. Dit hoofdstuk
biedt dus geen kwantitatief inzicht in de samenstelling van die
top, maar een kwalitatief inzicht. Mede omdat de onderlinge
verhoudingen aan de top niet duidelijk zijn, worden, ook bij wijze
van overgang naar hoofdstuk 5, in hoofdstuk 4 enkele criminele
netwerken beschreven die functioneren op het midden-niveau van de
georganiseerde
criminaliteit. Ogenschijnlijk gaat het hier slechts om een
wanordelijk samenstel van lokale cliques die interregionaal
opereren, maar bij nader onderzoek is er op hoger niveau,
top-niveau, (waarschijnlijk) meer verband dan men zo vermoedt. In
dit hoofdstuk wordt ook ingegaan op de rol van de Hells Angels, als
landelijke groepering, in de Nederlandse georganiseerde
criminaliteit. Hoofdstuk 5 is gewijd aan de basis van de
georganiseerde criminaliteit in Nederland. Deze basis wordt gevormd
door de honderden lokaal en regionaal opererende criminele groepen
en criminele figuren, die op zichzelf niet kunnen worden gerekend
tot wat ook in dit onderzoeksproject de georganiseerde
criminaliteit wordt genoemd, maar zij bij tijd en wijle allerlei
hand- en spandiensten verlenen aan de belangrijke autochtone
criminele groepen, en dat zij ook onophoudelijk zorgen voor hun
nieuwe aanwas. De top van de georganiseerde criminaliteit in een
land kan niet bestaan zonder een basis.
lees meer
Bijlage VIII – 1.1. Het onderzoek dat werd verrichtJanuary 1, 1999
1.1. Het onderzoek dat werd verricht
Welk onderzoek werd verricht? Evenals de andere deelonderzoeken
is ook dit onderzoek in hoge mate gestuurd door de definitie van
georganiseerde criminaliteit die voor heel het onderzoeksproject
tot uitgangspunt is gekozen. Er is sprake van georganiseerde
criminaliteit wanneer groepen van personen uit winstbejag op een
systematische manier misdaden plegen die ernstige gevolgen voor de
samenleving hebben en zij hun illegale optreden op allerhande
manieren, maar in het bijzonder door (dreiging met) geweld of
corruptie trachten af te schermen tegen gericht optreden van de
overheid hiertegen. Gewoonlijk wordt deze criminaliteit overwegend
geassocieerd met de levering van illegale goederen en diensten op
bijbehorende zwarte markten (prostitutie, gokken, drugs). Zeker zo
belangrijk zijn echter de vormen van georganiseerde criminaliteit
waarbij illegale activiteiten worden ontplooid om geld te verdienen
in legale bedrijfstakken en nijverheden. En
tenslotte mag men niet uit het oog verliezen dat groepen van
personen die zich schuldig maken aan bovengenoemde vormen van
georganiseerde criminaliteit, ook betrokken kunnen zijn bij het
plegen van heel andere delicten, zoals Europese-Unie-fraude en
kidnapping.
lees meer
Bijlage VIII – BibliografieJanuary 1, 1999
Bibliografie
Beer Poortugael, D. den, De marechaussee grijpt in, Bruna
& Zoon, Utrecht, 1954. Blok, A., De bokkerijders;
Roversbenden en geheime genootschappen in de landen van
Overmaas, Prometheus, Amsterdam, 1991.
lees meer
Bijlage VIII – 6. Algemeen besluitJanuary 1, 1999
6. Algemeen besluit
In dit algemeen besluit moet allereerst nog eens worden
herhaald, dat de georganiseerde criminaliteit in Nederland in de
voorbije jaren niet is gemporteerd door buitenlandse en/of
allochtone groepen. Ook wanneer deze criminaliteit wordt
gedefinieerd zoals in de inleiding is gebeurd, dan kan worden
gesteld dat zij – ook in haar huidige vormen – voor een belangrijk
stuk wortelt in de (geschiedenis van de) Nederlandse samenleving.
Wanneer dit niet zo zou zijn, zou onmogelijk kunnen worden
verklaard waarom uitgerekend kampers zo’n belangrijke rol in de
internationale drugshandel spelen.
lees meer
Bijlage VIII – 5.4. Tot besluitJanuary 1, 1999
5.4. Tot besluit
Tot besluit kan in de eerste plaats worden gesteld dat er in de
regio Midden- en West-Brabant meer autochtone criminele groepen,
groepjes en individuen actief zijn dan in Groningen (Rotterdam
wordt om de reden, eerder vermeld in de tekst, hier even buiten
beschouwing gelaten). Zeker wanneer deze indruk, bij nader
onderzoek, juist zou blijken te zijn, roept deze vaststelling de
vraag op naar de achtergronden en oorzaken van dit verschil. In
aansluiting op deze kwantitatief georinteerde vergelijking tussen
beide gebieden kan voorzichtig een kwalitatief georinteerde
vergelijking worden gemaakt. Die leidt onmiskenbaar tot de
vaststelling dat in Groningen eigenlijk geen criminele groepen of
criminele figuren opereren die een belangrijke rol spelen in
(interprovinciale) bovenlokale netwerken, of die aansluiting hebben
bij de top van de georganiseerde criminaliteit in Nederland. In
Middenen West-Brabant zijn die er duidelijk wel. De Rotterdamse
zaken vormen een geval apart, maar er valt – ook in vergelijking
met de zaken uit de beide andere regio’s – toch wel iets over te
zeggen. Ten eerste dat men in de Rotterdamse regio groepen
beroepsmisdadigers aantreft die qua werkwijzen in de twee andere
regio’s blijkbaar niet voorkomen. Ten tweede zijn in het
Rotterdamse, in de drugshandel, enkele groepen actief zijn die niet
alleen tot de regionale bovenlaag van de georganiseerde
criminaliteit moeten worden gerekend, maar die ook kunnen worden
gekoppeld aan de landelijke (sub)top van de georganiseerde
criminaliteit. Waar men in Rotterdam de georganiseerde
criminaliteit dus van top tot basis aantreft, daar is dat in
Midden- en West-Brabant al veel minder het geval, en in Groningen
eigenlijk helemaal niet.
lees meer
Bijlage VIII – 5.3. De situatie in GroningenJanuary 1, 1999
5.3. De situatie in Groningen
In termen van (georganiseerde) criminaliteit vertoont de regio
een breed scala aan activiteiten. Vanuit Groningen werden 36
rapportages opgestuurd. Hiervan moeten er in dit rapport 21 buiten
beschouwing blijven, met name omdat zij betrekking hebben op zaken
waarin uitsluitend of hoofdzakelijk buitenlandse en/of allochtone
misdadigers danwel criminele groepen figureren. Niettemin zou het
in een ander verband heel zinvol kunnen zijn om deze 21 zaken eens
verder uit te spitten in het licht van de vraag: waarom allemaal in
Groningen? Het gaat hier om betrekkelijk grote Turkse
drugshandelaren, Poolse autodieven, Nigeriaanse oplichters,
Italiaanse overvallers, Chinese afpersers, Joegoslavische
vrouwenhandelaren ….: you name it, we have it! Een deel
van de betrokken zaken is natuurlijk wel verwerkt in n of meer van
de andere rapporten die door de onderzoeksgroep-Fijnaut voor de
Enqutecommissie zijn geschreven. De vijftien overblijvende andere
zaken geven nog een tamelijk gevarieerd beeld van wat er min of
meer aan de basis van de georganiseerde criminaliteit in het
Groningse stuk van Nederland heeft gespeeld in de voorbije jaren.
Deze zaken zijn in te delen in vier groepen.
lees meer
Bijlage VIII – 5.2. De situatie in RotterdamJanuary 1, 1999
5.2. De situatie in Rotterdam
Vanuit de regio Rotterdam-Rijnmond bereikten ons in totaal 38
rapportages. Gelet op de aard, omvang en ontwikkeling van de
criminaliteit in de Rotterdamse regio in het algemeen, ligt het
voor de hand dat de zaken die in deze rapportages aan de orde zijn,
gemiddeld een zwaarder kaliber hebben dan de zaken die door de
regio Midden- en West-Brabant zijn aangeleverd. Wanneer men dan op
de Rotterdamse zaken dezelfde selectiecriteria toepast als die
hiervoor voor de Midden- en West-Brabantse zaken zijn gehanteerd,
dan blijven er maar tien van de 38 zaken over die in dit rapport
thuishoren.
lees meer
Bijlage VIII – 5.1. De situatie in Midden- en
West-BrabantJanuary 1, 1999
5.1. De situatie in Midden- en West-Brabant
Vanuit de regio Midden- en West-Brabant bereikten ons 69
rapportages. Een klein deel van deze rapportages moest terzijde
worden gelegd, deels omdat zij betrekking hebben op uitingsvormen
van zeer persoonlijk getinte (seksuele) delinquentie, deels omdat
zij uitsluitend handelen over hele concrete gevallen van
organisatiecriminaliteit, en deels omdat zij gaan over misdaden die
uitsluitend door buitenlandse en/of allochtone personen waren
begaan. Dat zodoende een paar interessante zaken buiten beschouwing
blijven, bijvoorbeeld die (twee zaken) van Turkse mannen die met
veel geweld en dreiging protectie wilden opdringen aan
(Nederlandse) horeca-ondernemingen, valt te betreuren, maar moet
worden geaccepteerd terwille van de complementariteit van de
onderzoeksrapporten in dit project. Het gebruik van het woord
uitsluitend in de voorlaatste zin geeft overigens al aan dat die
criminele groepen, waarvan de meeste leden – zo te zien –
autochtone Nederlanders zijn en waarbinnen buitenlanders en/of
allochtone personen dus een (kleine) minderheid vormen, wl in deze
beschouwing zijn meegenomen. Het is juist interessant om te zien
hoe in elk geval op regionale schaal het onderscheid tussen
autochtone en niet-autochtone misdadigers niet altijd meer te maken
valt. Uiteindelijk zijn ruim 45 rapportages in de volgende
reportage verwerkt. Allereerst kan men vaststellen dat de daders
van een heel aantal delicten die in deze regio worden gepleegd, er
helemaal niet wonen of verblijven; zij hebben er hooguit sociale
en/of criminele contacten en weten er hierom hun weg te vinden. Dit
is het geval in acht zaken die zijn aangemeld. Deze zaken lopen
uiteen van overvallers uit Den Haag die op een gegeven moment ook
in Midden- en West-Brabant hun slag willen slaan, via doelgerichte
snelkrakers uit Amsterdam en Zaandam die het hebben gemunt op een
juwelierszaak in Tilburg, tot zogenaamde criminele kidnappers die
in Belgi een Marokkaanse hashdealer van zijn vrijheid beroven om
hem op Nederlands grondgebied door zijn rivalen te laten
mishandelen (inclusief marteling met electrische schokken). Zaken
als deze laten vanzelfsprekend iets zien van de mobiliteit die de
tegenwoordige zwaardere criminaliteit kenmerkt. Om ze hierom zonder
meer onder de kop van de georganiseerde criminaliteit te
rangschikken, zou echter te ver gaan.
lees meer
Bijlage VIII – 5. De basis van de autochtone georganiseerde
criminaliteitJanuary 1, 1999
5. De basis van de autochtone georganiseerde
criminaliteit
Waar het al geen sinecure is om een analyse te vervaardigen van
de top van de autochtone georganiseerde criminaliteit in Nederland,
daar is het maken van een analyse van haar basis werkelijk een
crime. Gegeven de stand van de politile
informatievoorziening op centraal niveau is het uitgesloten om
hiervan een beeld te scheppen dat ook maar enigermate beantwoordt
aan de werkelijkheid. Maar ook het instrument dat in het kader van
dit onderzoeksproject werd gefabriceerd – in de vorm van de
rapportages uit de jaren 1990-1995 die ons door de korpsen zijn
toegezonden – biedt hier bij nader inzien volstrekt onvoldoende
mogelijkheden voor.
Niet alleen omdat de korpsen, kwantitatief gesproken, zeer
verschillend op ons verzoek om welbepaalde rapportages hebben
gereageerd – sommige korpsen hebben tot 60 70 rapportages
ingestuurd, andere slechts een stuk of 10. Maar ook omdat, het werd
al eerder gesignaleerd, de kwaliteit van de rapportages die wel
zijn ingestuurd, ook zr uiteenloopt. Zij variren van kale
analyse-schema’s van groepen tot vuistdikke rapporten over
welbepaalde onderzoeken.
lees meer
Bijlage VIII – 4.4. Tot besluitJanuary 1, 1999
4.4. Tot besluit
Over Nederland ligt een wirwar van de meest verschillende
criminele netwerken. Organisaties als de Hells Angels, cliques als
die welke in het Zuiden de synthetische drugs produceren, en
individuen zoals we die hebben aangetroffen in het algemene
netwerk, vormen de middelpunten van deze netwerken. Een aantal van
die netwerken staat zowel op nationaal niveau als op regionaal en
lokaal niveau voortdurend met elkaar in contact. Met andere
woorden: er zou op dit middenniveau van de georganiseerde
criminaliteit wel eens meer orde kunnen heersen dan de chaos, die
men hier bij de eerste aanblik waarneemt, suggereert. Met name de
verbindingen tussen de top-groepen en de criminele netwerken zijn
in dit verband van groot belang. Maar ook de belangrijke rol van de
schakels tussen de interregionale en landelijke netwerken enerzijds
en de lokaal-opererende groepen anderzijds mag niet worden
veronachtzaamd. Want deze basisgroepen vormen in menig opzicht het
draagvlak voor de georganiseerde criminaliteit op de hogere
niveau’s.
lees meer
Bijlage VIII – 4.3. De Hells AngelsJanuary 1, 1999
4.3. De Hells Angels: een netwerk apart
Hierboven – bij de beschrijving van twee netwerken die actief
zijn in de produktie van synthetische drugs – kwam al naar voren
dat n van deze netwerken een deel van de amphetamine verkocht aan
Hells Angels in Amsterdam, die dat dan weer onmiddellijk
doorverkochten naar Engeland. Wat bij de bespreking van het andere
netwerk niet werd aangestipt, maar hier wel moet worden gemeld, is
dat een bepaalde hoeveelheid van de illegaal ingevoerde
grondstoffen, via omwegen in Brabant, ook terecht kwam bij de Hells
Angels in de hoofdstad. Geconfronteerd met zulke feiten, moet men
zich wel de vraag stellen wat de rol van de Angels in de
georganiseerde criminaliteit is.
lees meer
<< oudere artikelen nieuwere artikelen >>