• Buro Jansen & Janssen, gewoon inhoud!
    Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, overheid in Nederland en de EU kritisch volgt. Een grondrechten kollektief dat al 40 jaar, sinds 1984, publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, veiligheid in breedste zin, bevoegdheden, overheidsoptreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Migratie

  • Politieklachten

  • Bijlage VIII – 1. ALGEMENE INLEIDING

    1. ALGEMENE INLEIDING

    De Parlementaire Enqutecommissie Opsporingsmethoden moet onder
    meer antwoord geven op de vraag: wat is de aard en omvang van de
    georganiseerde criminaliteit in Nederland? Het zal duidelijk zijn
    dat deze eenvoudige vraag – wil men recht doen aan de werkelijkheid
    die erin besloten ligt – slechts op een complexe manier kan worden
    beantwoord. Een van de manieren waarop in dit onderzoeksproject
    naar een antwoord is gezocht, is door na te gaan welke groepen zich
    op welke manieren met welke vormen van georganiseerde criminaliteit
    bezighouden. Een deel van de resulaten van dit onderzoek is
    neergelegd in het rapport over de rol van buitenlandse en
    allochtone groepen in de georganiseerde criminaliteit in Nederland.
    Het andere deel is vervat in dit rapport over de rol van autochtone
    groepen. In het eerstgenoemde rapport wordt reeds in de inleiding
    geschetst hoe in het algemeen wordt gedacht over de rol van
    buitenlandse en allochtone groepen in de georganiseerde
    criminaliteit in Nederland, en wordt vervolgens per hoofdstuk (per
    groep) dit beeld verfijnd. Het ligt voor de hand om in dit rapport
    een wat andere werkwijze te volgen. Eerst wordt, in hoofdstuk 2,
    het bestaande beeld van de geschiedenis van de georganiseerde
    criminaliteit in Nederland behandeld. In de daaropvolgende
    hoofdstukken worden dan de resultaten van het eigen onderzoek naar
    de tegenwoordige toestand van de georganiseerde criminaliteit
    weergegeven.

    lees meer

    Bijlage VIII – 4.2. De produktie en distributie van synthetische drugs

    4.2. De produktie en distributie van synthetische
    drugs

    In de voorbije jaren zijn er tientallen onderzoeken ingesteld
    naar de produktie en distributie van synthetische drugs. Uit een
    rapport over een belangrijk deel van deze onderzoeken is gebleken
    dat in elk geval de zogenaamde laboratoria die bij de vervaardiging
    van deze drugs werden gebruikt, overwegend waren gesitueerd in
    Amsterdam, Utrecht, Noord-Brabant en Limburg. Deze laboratoria
    waren ingericht op zeer uiteenlopende lokaties: woonschepen,
    flatwoningen, loodsen, kelders, silo’s, enzovoort. Uit het feit dat
    er in deze laboratoria maar liefst 145 verschillende chemicalin
    werden aangetroffen, mag worden afgeleid dat er bij de productie
    van synthetische drugs nog heel wat wordt gexperimenteerd. Waarbij
    wel moet worden aangetekend dat een groot deel van deze chemicalin
    gewoon waren gekocht bij bekende firma’s in Nederland, Belgi en
    Duitsland. De meeste produktiemiddelen (glaswerk,
    tabletteermachines, pompen) waren afkomstig van Nederlandse en
    Belgische bedrijven en fabrieken. De vervaardiging van synthetische
    drugs is – economisch gezien – dus een meer normale activiteit dan
    men op het eerste gezicht wellicht zou denken. De XTC-zaak die
    bijna vijf jaar geleden door het vroegere IRT Noord-Holland-Utrecht
    onder de naam Extase werd gedraaid, heeft laten zien dat de
    produktie en distributie van synthetische drugs somtijds in handen
    is van een vrij goed-georganiseerde criminele groep en dat er
    enorme sommen geld mee kunnen worden verdiend (Cortebeeck, 1994).
    Deze groep was van gemengde, Belgisch-Nederlandse, origine. Zij
    telde zo’n twintig personen die – alleen of met anderen – betrokken
    waren bij alles wat er zoal komt kijken bij een illegale
    onderneming als deze: de aanschaf van panden, de inrichting van
    laboratoria, de aankoop van grondstoffen, het produceren van de
    drugs, de distributie van de pillen, de beveiliging van de
    lokaties, de investering van de winsten en andere. Volgens experts
    van de CRI had de organisatie in totaal de beschikking gehad over
    een bedrag van maximaal 264 miljoen en minimaal 72 miljoen ten
    behoeve van de aanwending in diverse activa. Hiervan kon, in
    relatie tot de kasadministratie, evenwel slechts 15 miljoen worden
    getraceerd. Tegenover een groep als deze die indertijd zonder
    twijfel tot de top van de georganiseerde criminaliteit had kunnen
    worden gerekend, staan tal van groepen die qua organisatie noch qua
    omzet kunnen tippen aan de bende waarom het in het Extase-onderzoek
    ging. Uit het rapport waarnaar hiervoor reeds werd verwezen, kan
    immers worden opgemaakt dat men in heel wat onderzoeken slechts is
    gestoten op enkele mensen die van A tot Z het hele productieproces,
    met alles wat hierbij hoort, gaande moesten houden. Hoe
    kleinschalig veel van deze groepjes wel niet werkten, blijkt met
    name uit het feit dat er nauwelijks sprake was van
    arbeidsverdeling. De organisator (financier, leverancier) werkte
    gewoon met de laborant mee om er het beste van te maken. Daarnaast
    is er ook een tussencategorie van groepen. Dat zijn de groepen, of
    beter gezegd, de netwerken die, op zichzelf genomen, wel enige
    organisatiegraad vertonen, maar die daarenboven hetzij voor de
    leverantie van grondstoffen, hetzij voor de afzet van hun
    producten, hetzij voor de gewelddadige inning van schulden, in meer
    of mindere mate afhankelijk zijn van figuren in de top van de
    georganiseerde criminaliteit. Om te achterhalen hoe deze netwerken
    er uitzien, zijn in Noord-Brabant twee recente onderzoeken naar de
    produktie en distributie van synthetische drugs onder de loupe
    genomen.
    Onderzoek A bracht aan het licht dat in een bedrijfspandje in een
    middelgrote stad amphetamine werd vervaardigd. Niet het hele
    produktieproces werd hier afgewikkeld. Enkele keren werden bepaalde
    bewerkingen uitgevoerd in woonhuizen in de Randstad. En het draaien
    van de pillen gebeurde uiteindelijk weer op een andere plaats in
    het land. Deze geografische spreiding van het produktieproces
    (branden, kristalliseren en tabletteren) had zeker tot doel om het
    risico van ontdekking te verkleinen. Te zelfder tijd vormde zij
    echter ook een weerspiegeling van het netwerk dat hier bezig
    was.

    lees meer

    Bijlage VIII – 4.1. Diagonaal door Nederland

    4.1. Diagonaal door Nederland: van Maastricht tot
    Amsterdam

    De man wiens schaarse centrale politiegegevens de insteek vormen
    in het algemene criminele netwerk dat hier in vogelvlucht wordt
    blootgelegd, is zo ongeveer halverwege de diagonaal
    Maastricht-Amsterdam genesteld. In het nabije verleden heeft hij
    zich bij de politie in de streek vooral doen kennen als een wat
    patserig type, betrokken bij gewapende overvallen, met companen
    bezig over de ontvoering van gefortuneerde mensen, thuis in de
    illegale wapenhandel, in staat om allerhande duurdere gestolen
    spullen (horloges, auto’s) te leveren, en actief in de handel in
    verdovende middelen. Verder was hij kind aan huis bij diverse
    roemruchte woonwagenfamilies. Deze laatste opmerking is relevant,
    omdat die connectie wellicht verklaart waarom hij op het einde van
    de jaren tachtig opdook in de schaduw van enkele kampers in de
    Randstad die op dat moment bezig waren hun drugsgroothandelsgroepen
    op te bouwen. Hoe nauw hun relatie toen is geweest, is niet zo
    duidelijk. De betrokkene heeft in zijn lokale kennissenkring
    kennelijk nogal hoog opgegeven over zijn rol als strong arm
    van de bedoelde internationale dealers. Zelf meen ik dat zijn
    betekenis voor hen niet zo groot is geweest: in de gedetailleerde
    analyses van de betrokken groepen ben ik zijn naam niet eenmaal
    tegengekomen. Hoogstwaarschijnlijk had hij in die tijd ook contact
    met de Bruinsma-clan in Amsterdam. Enkele van zijn toenmalige
    Nederlandse en Belgische kameraden, waaronder de houder van een
    sportschool, betrokken van deze groep in elk geval redelijk grote
    porties hash, bedoeld voor distributie in de regio. Maar het is ook
    niet uitgesloten dat hij met hen voor die clan een tijdlang
    hashtransporten heeft verzorgd. Deze voor-geschiedenis werpt reeds
    enig licht op het latere netwerk van betrokkene en zijn positie
    daarin. Het lijkt vast te staan dat hij aan zijn activiteiten in
    Holland een aantal goede bekenden heeft overgehouden die tot op de
    dag van vandaag tot de subtop van de Randstedelijke drugshandel
    moeten worden gerekend. Met name onderhoudt hij kennelijk nauwe
    relaties met een tweespan dat zowel in de hashhandel bedrijvig is
    als ook grondstoffen kan leveren voor de aanmaak van synthetische
    drugs. In het kader van deze laatste activiteit werken de
    handelaren in kwestie vermoedelijk nauw samen met vrij bekende
    pep-fabrikanten in Brabant. Wat
    het contact met deze Hollandse subtoppers inhoudelijk voorstelt,
    valt op grond van de beschikbare informatie in het geheel niet te
    zeggen. Dat is een aanwijzing temeer dat hij met de betrokkenen
    niet zoiets als een hoog-georganiseerde groep vormt, zoals een van
    de CRI-inventarisaties wil doen geloven. In zijn natuurlijke
    omgeving schijnt de man in kwestie ondertussen dezelfde weg te
    hebben afgelegd als andere belangrijke figuren in de internationale
    Nederlandse drugshandel. Gestart als geweldenaar, ontpoppen zij
    zich vervolgens tot rechterhand van een geduchte drugssmokkelaar,
    en nemen tenslotte – wanneer de baas het loodje legt of anderszins
    uitvalt – diens positie over. Zover is zijn loopbaan nu nog niet
    gevorderd. Maar hij is wel op weg naar een dergelijke positie. Op
    dit moment fungeert hij nog maar als tweede man van een
    drugshandelsclique die op zichzelf genomen niet erg omvangrijk is,
    en die door haar stille manier van werken in Nederland zelf ook
    geen grote bekendheid geniet, maar die, internationaal gesproken,
    in het nabije verleden heeft bewezen mee te tellen in de kring van
    de echte drugsgroothandelaren. Wanneer het moment gekomen is dat
    hij de leiding van deze clique overneemt of, als het hem te
    lang duurt, een eigen groep formeert, valt niet te voorspellen.
    Zeker is alleen dat hij in het diepe zuiden van het land ruim
    voldoende geharde beroepsmisdadigers kent om een serieuze criminele
    groep mee op te bouwen. Hier onderhoudt hij, om te beginnen, de
    nauwste contacten met twee criminele figuren die de harde kern
    vormen van een clique van vier vijf personen. De criminele
    staat van dienst van dit duo is indrukwekkend. Evenals onze man
    staan ze van oudsher te boek als gewelddadige figuren: altijd
    bewapend, bereid om hun wapens zonodig tegen iedereen,
    politiemensen incluis, te gebruiken, zeker in het verleden
    betrokken bij (het bedenken van) overvallen en ontvoeringen, als
    zodanig goed bekend met overvallers en autodieven aan de andere
    kant van de grens, thuis in zowel de grensoverschrijdende
    wapenhandel als de wapenhandel van Amsterdam, niet vies van het
    gebruik van vals geld en hierom bekend met de kring van
    valsemunters, ook die in de Randstad, etcetera. Geen wonder dat van
    hen – althans n van hen – wordt gezegd dat hij al eens iemand heeft
    geliquideerd, en dat hij serieus heeft overwogen om een goede
    bekende, door middel van iemands gijzeling, te bevrijden uit een
    buitenlandse gevangenis. De berichten dat zij bij tijd en wijle
    rechtstreeks en indirect, via Waalse kameraden, in contact staan
    met de Italiaanse (Siciliaanse) mafia, zijn – gelet op het
    vorenstaande – niet ongeloofwaardig, temeer niet omdat een van deze
    beide kompanen van Italiaanse origine is en altijd nauwe contacten
    heeft onderhouden met dubieuze Italiaanse kringen van over de
    Belgische grens. Hier staat tegenover dat zij ook jarenlang hebben
    gefungeerd als helers, niet alleen van gestolen auto’s, maar ook
    van kunstvoorwerpen, als het zo uitkwam, en van grotere partijen
    gestolen textiel en meubilair, met name afkomstig uit Belgi.
    Hierbij kwam het erop aan steeds weer voldoende geschikte
    bergplaatsen te arrangeren en de spullen na een tijdje zo ongemerkt
    mogelijk door te stoten naar genteresseerde bekenden,
    ogenschijnlijk volkomen oirbaar werkzaam in de desbetreffende
    branches. Dat misdadigers als zij op een gegeven moment zich ook in
    de drugshandel, en vooral de handel in synthetische drugs, zouden
    storten, lag voor de hand. Zij doen hier, volgens de berichten, met
    enkele intimi alles dat op hun niveau maar denkbaar is: kopen van
    grondstoffen in Oost-Europa, opstarten van laboratoria in binnen-
    en buitenland, verkoop van partijen pillen. Deze clique leeft in
    een soort haat-liefde verhouding met een persoon die als n van de
    zwaarste jongens in het zuiden wordt aangezien. Deze is ook wel
    actief in de grotere wapenhandel, maar het zwaartepunt van zijn
    activiteiten ligt toch in de drugshandel. Anders dan onze man liep
    hij rondom 1990 niet in de schaduw van de grote drugshandelaren in
    het westen van het land, maar deed hij zelf zaken met hen. Dit
    blijkt ook uit de analyses die van hun groepen zijn gemaakt. Niet
    alleen participeerde hij minstens n keer in een groot
    internationaal drugstransport, maar hij nam ook geregeld grote
    partijen af. Ook dealde hij niet alleen rechtstreeks met de
    Hollandse drugsgroothandelaren, maar ook wel met Marokkaanse
    drugsimporteurs. Een eigen criminele groep bouwde hij evenwel,
    voorzover bekend, niet op. Hij houdt het liever bij n of enkele
    getrouwen waarop hij blindelings kan rekenen. Op bepaalde momenten
    was hij kennelijk wl bereid om met de zoven genoemde clique samen
    te werken, maar even zovele keren ging het waarschijnlijk mis. In
    het bijzonder werd hij er keer op keer van verdacht
    gemeenschappelijke partijen drugs stilletjes te hebben laten
    verdwijnen of ze te hebben laten rippen, met de bekende
    gevolgen vandien: bedreigingen met liquidaties tot regelrechte
    bomaanslagen op zijn huis. En keer, dat wordt althans verteld,
    hebben twee van de grootste Randstedelijke drugshandelaren die zelf
    een schrikbarende reputatie te verliezen hadden, zich verwaardigd
    om hem gezamenlijk de wacht aan te zeggen. Tot nu toe heeft hij ze
    echter allemaal overleefd – letterlijk en figuurlijk.

    lees meer

    Bijlage VIII – 4. Tussen top en basis

    4. Tussen top en basis:

    bovenlokale netwerken

    Wat in het besluit van het vorige hoofstuk werd gesteld ten
    aanzien van de interne verhoudingen in de top van de georganiseerde
    criminaliteit, nl. dat die door toedoen van de verbrokkeling van
    het politiewezen niet
    duidelijk zijn, dat geldt ook voor de criminele netwerken die zich
    tussen de top en de basis in Nederland bevinden. Ook hieruit worden
    door de regionale korpsen naar hartelust de stukken geknipt die
    hen, binnen het gevoerde beleid, relevant toeschijnen. Om toch enig
    inzicht te verschaffen in de aard en omvang van de netwerken waarop
    hier wordt gedoeld, zijn er enkele nader bekeken. Het eerste
    netwerk is dat van n van de (zeven) personen die volgens de
    CRI-inventarisaties (van 1991, 1993 en 1995) verkeert in (drie)
    groepen die als hoog-georganiseerd moeten worden beschouwd. Dat dit
    netwerk, dat zich als het ware slingert rondom de denkbeeldige as
    tussen Maastricht en Amsterdam, niettemin hier wordt behandeld, en
    niet in het vorige hoofdstuk, heeft alles te maken met het feit dat
    er – zeker in termen van organisatie – een hemelsbreed verschil
    bestaat tussen de groepen die hiervoor zijn beschreven, en het
    netwerk dat hier centraal staat. Zoals het gebruik van de term
    netwerk al aangeeft, is er in dit geval helemaal geen sprake van
    zoiets als een groep, maar hooguit van een beperkte kring van
    personen die in heel wisselende combinaties alle mogelijke
    strafbare feiten pleegt. Het gaat hier ook niet om mensen die
    systematisch, uit winstbejag, een of meer speciale illegale
    activiteiten tot heuse criminele ondernemingen uit bouwen. Zij
    hebben wel zo hun specialiteiten, maar passen die slechts op een
    onregelmatige manier, van geval tot geval, toe. Tegen de
    achtergrond van dit algemene criminele netwerk worden voorts enkele
    bijzondere criminele netwerken aan een nadere beschouwing
    onderworpen. De eerste twee van deze netwerken, die beide hebben
    geopereerd in Brabant en Limburg, met vertakkingen naar Amsterdam,
    zijn actief (geweest) in de productie en de distributie van
    synthetische drugs, vooral amphetamine en XTC. Het andere netwerk
    is dat van de verschillende groepjes Hells Angels in Nederland. In
    het ene geval wordt het netwerk dus bekeken vanuit de aard van de
    illegale activiteiten die worden bedreven, in het andere geval
    vanuit de groep die deze activiteiten bedrijft. Waarom speciaal de
    Hells Angels onder de loupe worden genomen, wordt verderop
    toegelicht. De netwerken die in dit hoofdstuk worden besproken,
    zouden in het algemeen met enige reden ook als middelmatig kunnen
    worden getypeerd. De eerste reden is dat zij tussen de top en de
    basis van de georganiseerde criminaliteit in Nederland in zitten.
    Aan de ene kant kunnen deze netwerken niet tippen aan die top, maar
    hun sleutelfiguren hebben er zeker rechtstreeks contacten mee. Aan
    de andere kant steken zij door de ernst van de feiten die zij
    plegen en/of door de manier waarop ze dit doen en/of door de
    grootte van het gebied waarbinnen zij opereren, duidelijk uit boven
    de groepen van de basis, waar ze natuurlijk wel relaties mee
    onderhouden. De tweede reden waarom hier de term middelmatig wordt
    gebruikt, heeft te maken met het feit dat de organisatorische,
    technische en operationele kwaliteit van de bedoelde netwerken in
    vergelijking met die van de top-groepen matig is. Bepaalde
    sleutelfiguren gaan ontegenzeggelijk zeer professioneel te werk,
    maar zeker op het niveau waarop daadwerkelijk de meer zichtbare
    delicten worden begaan, is de organisatie soms uitermate
    gebrekkig.

    lees meer

    Bijlage VIII – 3.4. Tot besluit

    3.4. Tot besluit

    Ter afronding van dit hoofdstuk kan allereerst met nog groter
    stelligheid dan in het begin worden beweerd, dat er in Nederland
    geen octopus is die de georganiseerde criminaliteit in het gehele
    land omspant. Een dergelijke syndicaat bestaat niet, ook niet in de
    sfeer van de drugsgroothandel. Wat men in deze handel wel ziet,
    werd hiervoor met een aantal voorbeelden duidelijk gemaakt: een
    beperkt aantal criminele groepen van heel verschillend kaliber die
    elk een deel van de hashmarkt bezetten.

    lees meer

    Bijlage VIII – 3.3. Een beeld van zeven belangrijke groepen

    3.3. Een beeld van zeven belangrijke groepen

    3.3.1. Octopus: tussen feit en fictie

    In de voorbije jaren is in de media bij herhaling het beeld van
    een octopus gebruikt om de top van de autochtone georganiseerde
    criminaliteit in Nederland te kenschetsen. Helemaal vreemd is het
    gebruik van dit beeld niet. Niet alleen wordt ook internationaal
    door allerhande media en auteurs de gedachte verdedigd dat het
    beeld van de octopus een adequaat middel is om uit te drukken wat
    de georganiseerde criminaliteit in werkelijkheid voorstelt, maar
    ook is het zo dat rond 1990 het onderzoek naar een bepaalde groep
    in de Randstad het octopus-onderzoek werd genoemd. Dus, het valt
    gemakkelijk te begrijpen waarom zelfs in sommige politiekringen nu
    nog wel over de octopus wordt gesproken.

    lees meer

    Bijlage VIII – 3.2. De Bruinsma-clan

    3.2. De Bruinsma-clan: een voorlopig hoogtepunt

    In de loop van 1987 komt er toch enige reactie op de politile
    berichten dat de groothandel in hash toch een andere zaak is dan
    het huis-tuin-en-keuken-gebruik van deze drug. Eind dat jaar wordt
    er een speciaal politieteam opgericht dat in kaart moet brengen wie
    er zitten achter de veelvuldige aanlandingen van hash op de kust
    van Noord-Holland en Friesland en op de Waddeneilanden.

    lees meer

    Bijlage VIII – 3.1. Het verhaal achter de feiten

    3.1. Het verhaal achter de feiten

    De autochtone georganiseerde criminaliteit van dit moment is
    hoofdzakelijk een kwestie van grootschalige drugshandel.
    Groothandel in hash, althans op het eerste oog, is daarbij het
    grootst, dan groothandel in zowel hard drugs (cocane, herone) als
    in amphetamine- en XTC-preparaten, en tot slot wellicht (een deel
    van) de handel in nederwiet. (Hierbij zij wel aangetekend dat H.
    van de Bunt in het kader van dit onderzoek speciaal een aantal
    belangrijke fraude-gevallen heeft geanalyseerd.) Natuurlijk doet
    deze vaststelling, die hierna wordt onderbouwd, de vraag rijzen hoe
    het komt dat Nederlandse criminele groepen, met name in de
    hashhandel, ook internationaal gezien, een sterke positie hebben
    kunnen opbouwen. Deze vraag is minder gemakkelijk te beantwoorden
    dan het lijkt maar er zijn wel enkele aanzetten te geven dankzij de
    informatie van enkele politiemensen en officieren van justitie die
    in de voorbije jaren van zr nabij de drugshandel hebben
    gevolgd.

    lees meer

    Bijlage VIII – 3. De top van de autochtone georganiseerde criminaliteit

    3. De top van de autochtone georganiseerde
    criminaliteit

    In het licht van de opmerkingen die hiervoor zijn gemaakt over
    de bronnen van dit landelijke onderzoek zal het niet verbazen dat
    hier geen poging wordt ondernomen om de top van de autochtone
    georganiseerde criminaliteit in Nederland te kwantificeren in
    termen van groepen en personen. Een acceptabele becijfering hiervan
    is, zoals gezegd, niet mogelijk door het gebrek aan inzicht, zeker
    op landelijk niveau, in het doen en laten van een aantal mensen
    die, met hun omgeving, eventueel tot die top gerekend moeten
    worden. Wat – binnen bepaalde grenzen – wel mogelijk is, is om een
    kwalitatief beeld te schetsen van een klein aantal groepen die vrij
    algemeen tot die top werden respectievelijk worden gerekend. Binnen
    bepaalde grenzen, want ook hier speelt het feit dat de bescherming
    van de belangen die zijn gemoeid met enkele lopende onderzoeken,
    uitsluit dat diverse belangrijke aspecten van de groepen in kwestie
    worden aangeroerd. De analyse die hierna van de huidige top van de
    autochtone georganiseerde criminaliteit wordt gegeven, is in de
    kern gebaseerd op documenten en interviews met betrekking tot de
    organisatie en activiteiten van zeven toonaangevende criminele
    groepen in Nederland. Hoe deze zeven groepen werden verzameld, is
    reeds aangegeven in de algemene inleiding. Hiermee is
    vanzelfsprekend niet gezegd dat de autochtone top van de
    georganiseerde criminaliteit uit niet meer dan zeven groepen
    bestaat. Het zijn er zeker meer. Het probleem is alleen dat op dit
    moment niet valt uit te maken hoeveel meer.

    lees meer

    Bijlage VIII – 2.6. Tot besluit

    2.6. Tot besluit

    De geschiedenis van de georganiseerde criminaliteit is nog
    slechts gebrekkig onderzocht. Hierom is het niet mogelijk om het
    verleden in dit opzicht naadloos te laten aansluiten op het heden.
    Desalniettemin is het belangrijk om hier expressis verbis
    vast te stellen dat die aansluiting er wel is. Want zij impliceert
    de conclusie dat georganiseerde criminaliteit ook in Nederland geen
    probleem is dat van vandaag of gisteren dateert. En tevens de
    conclusie dat zij geen probleem vormt dat recent door buitenlanders
    of allochtonen naar Nederland is gebracht. Ook in Nederland heeft
    de georganiseerde criminaliteit voor een stuk diepgaande wortels in
    de samenleving. Vroeger werd in Nederland de term georganiseerde
    criminaliteit niet veel gebruikt, maar dit neemt niet weg dat –
    retrospectief – kan worden vastgesteld dat zich ook hier vroeger al
    ontwikkelingen in het criminele voordeden die door Amerikaanse
    onderzoekers zonder meer als uitingsvormen van georganiseerde
    criminaliteit zouden worden betiteld. Hierbij kan zowel worden
    gedacht aan de ontwikkeling van het bendewezen in Oss in de jaren
    dertig, als aan de na-oorlogse smokkelpraktijken aan de Belgische
    grens. Het mag dan ook geen verbazing wekken dat in het volgende
    hoofdstuk een relatie wordt gelegd tussen de mensen die bij deze
    smokkelpraktijken waren betrokken en de mensen die in de jaren
    zestig en zeventig in de
    grootschalige drugshandel (hashhandel) stapten.

    lees meer

    Bijlage VIII – 2.5. De tegenwoordige rol van ambulante groepen

    2.5. De tegenwoordige rol van ambulante groepen

    Natuurlijk waren ook in de twintigste eeuw de organisatie, de
    samenstelling en de bedrijvigheid van de Hollandse onderwerelden en
    de Brabantse bendes constant in beweging. Maar niettemin hoorden
    die werelden en deze bendes ergens thuis, hadden ergens een milieu
    waarin ze konden gedijen. Ze konden, binnen marges, op een bepaalde
    plaats worden gelokaliseerd. Als vanzelf roept dit de vraag op naar
    de criminaliteit van de marginale groepen die geen vaste plek
    hadden, niet sedentair waren, maar ambulant. En deze vraag klemt
    temeer, omdat hiervoor reeds werd beschreven hoe in de achttiende
    eeuw juist ook temidden
    van deze groepen (joden, zigeuners), in wisselwerking met hun
    marginale maatschappelijke positie, belangrijke vormen van
    georganiseerde criminaliteit tot ontwikkeling kwamen. Daarenboven
    zal hierna worden uiteengezet welk een belangrijke rol zogenaamde
    kampers spelen in (de top van) de georganiseerde criminaliteit
    waarmee wij heden ten dage worden geconfronteerd. Wat is er in die
    tussentijd dan allemaal gebeurd? Dat is veel meer dan in dit
    rapport allemaal kan worden behandeld. Een paar punten zijn hier
    echter van bijzonder belang.

    lees meer

    Bijlage VIII – Voorwoord

    Voorwoord

    Dit rapport voor de Parlementaire Enqutecommissie
    Opsporingsmethoden vormt het eerste deel in de reeks van rapporten
    die voor deze Enqutecommissie zijn vervaardigd over de aard, ernst
    en omvang van de georganiseerde criminaliteit in Nederland. Het
    heeft betrekking op de rol die autochtone groepen spelen in dit
    soort van criminaliteit. Het rapport dat door Frank Bovenkerk en
    ondergetekende werd geschreven over de rol van buitenlandse en
    allochtone groepen vormt als het ware het complement van dit
    rapport. De lezer van het onderhavige rapport doet er dus goed aan
    dat andere rapport – en natuurlijk ook het eindrapport – te
    betrekken in zijn beschouwingen over het onderzoek dat aan al deze
    rapporten ten grondslag ligt. Ook voor de vervaardiging van dit
    rapport werd niet tevergeefs een beroep gedaan op een heel aantal
    mensen. Bij de Divisie Centrale Recherche Informatie (CRI): B.
    Barendregt, H. Theeuwes, M. van der Plas, P. Groenhout, L. Weeda,
    N. Nierop, N. van de Ven, M. Ribberink en H. Hagen. Verder bedank
    ik ook A. Middendorp en H. Brombeeck (regiopolitie
    Brabant-Zuid-Oost), C. van Doorn, J. van de Wetering en J. van den
    Biggelaar (regiopolitie Brabant-Noord), en R. van Vught
    (regiopolitie Rotterdam-Rijnmond). Yvonne de Adelhart Toorop en
    Marjolein Ribberink, CRI, leverden ook deze keer de onontbeerlijke
    administratieve ondersteuning.

    lees meer

    Inhoud Bijlage VIII

    Bijlage VIII – Deelonderzoek 1

    1. De rol van autochtone criminele groepen

    Voorwoord

    lees meer

    Bijlage VII – BIBLIOGRAFIE

    BIBLIOGRAFIE

    Abadinsky, H., The Criminal Elite; Professional and Organized
    Crime
    , Greenwood Press, Westport, Connecticut, 1983.
    Abadinsky, H., Organized Crime, Nelson Hall, Chicago,
    1990.
    Adviescommissie Mensenrechten, Mensenhandel, Den Haag,
    1992.
    Albanese, J., Where Organized Crime and White Collar Crime Meet;
    Predicting the Infiltration of Legitimate Business
    (paper
    presented at the Annual Meeting of the American Society of
    Criminology, Miami, november 1994).

    lees meer

    Bijlage VII – VIII.3. Verwachtingen voor de nabije toekomst

    VIII.3. Verwachtingen voor de nabije toekomst

    Vorenstaande kwesties doen allicht de vraag rijzen naar de
    ontwikkeling van de georganiseerde criminaliteit in Nederland in de
    komende jaren. Deze vraag is echter gemakkelijker gesteld dan
    beantwoord. Niet alleen is het onderzoek zomaar om te zetten in
    bouwstenen voor een voorspelling van wat komen gaat, maar ook het
    feit dat – vanuit methodologisch oogpunt gezien – niet verantwoord
    om de resultaten van een hoofdzakelijk descriptief de
    georganiseerde criminaliteit tegenwoordig zo internationaal van
    karakter is en er op allerhande plaatsen in de wereld op grotere en
    kleinere schaal allerlei maatregelen tegen worden genomen, maakt
    het inderdaad zeer moeilijk om vooruit te zeggen wat er de komende
    jaren gaat gebeuren. Waar dan nog bij komt dat eigenlijk niet van
    de georganiseerde criminaliteit kan worden gesproken, maar telkens
    weer opnieuw moet worden gevarieerd naar de aard van de betrokken
    criminele groepen en de illegale activiteiten die zij organiseren.
    Het verklarend inzicht in de vroegere en gaande ontwikkeling van de
    georganiseerde criminaliteit in Europa is niet zo groot dat voor
    allerlei vormen van georganiseerde criminaliteit kan worden bepaald
    hoe zij er de komende jaren uit zullen gaan zien. Toch is het,
    zeker vanuit een oogpunt van beleid, alleszins redelijk om naar de
    toekomst van de georganiseerde criminaliteit te vragen. En dus kan
    het niet onredelijk zijn om hier tenminste in grote lijnen enkele
    verwachtingen voor haar toekomst aan het papier toe te vertrouwen.
    Deze verwachtingen zijn mede gebaseerd op de weinige publikaties
    waarin met meer of minder succes is geprobeerd enkele gedachten te
    formuleren omtrent de ontwikkeling van de georganiseerde
    criminaliteit in de toekomst, wereldwijd, op Europees niveau, in
    sommige landen om ons heen (United Nations, 1994; Williams, 1995;
    Carter, s.d.; Joutsen, 1993; Bundeskriminalamt, 1995).

    lees meer

    << oudere artikelen  nieuwere artikelen >>