• Buro Jansen & Janssen, gewoon inhoud!
    Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, overheid in Nederland en de EU kritisch volgt. Een grondrechten kollektief dat al 40 jaar, sinds 1984, publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, veiligheid in breedste zin, bevoegdheden, overheidsoptreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Migratie

  • Politieklachten

  • Bijlage VII – VIII.2. Een aantal zorgelijke kwesties

    VIII.2. Een aantal zorgelijke kwesties

    Het feit dat het op dit moment moeilijk, en in bepaalde
    opzichten zelfs onmogelijk, is om in algemene zin de ernst van de
    situatie op een adequate manier precies te bepalen, impliceert
    geenszins dat er niets zou kunnen worden gezegd over een aantal
    aspecten van de (aard van de) tegenwoordige georganiseerde
    criminaliteit in Nederland die als zorgwekkend betiteld kunnen
    worden. Uitgaande van de hier gehanteerde definitie van
    georganiseerde criminaliteit is dit namelijk heel goed mogelijk.
    Want waar gaat het volgens deze definitie in essentie om bij
    georganiseerde criminaliteit? Uiteindelijk om de vreedzaamheid van
    een maatschappij, om de integriteit van de democratische
    rechtsstaat, de vrijheid van het economisch leven en de rechten van
    individuele burgers. En dus kan worden nagegaan of zich momenteel
    in de sfeer van de georganiseerde criminaliteit ontwikkelingen
    voordoen die deze algemene waarden in het gedrang brengen of zouden
    kunnen brengen. De kwesties waarover men zich op grond van het
    onderhavige onderzoek zorgen over moet maken, kunnen – conform de
    opeenvolgende componenten van de definitie van georganiseerde
    criminaliteit – als volgt worden samengevat.

    lees meer

    Bijlage VII – VIII.1. De ernst van de situatie

    VIII.1. De ernst van de situatie

    De vraag van de Enqutecommissie naar de aard en omvang van de
    georganiseerde criminaliteit in Nederland is in wezen dezelfde
    vraag als die naar de ernst van de georganiseerde criminaliteit in
    dit land. Dat aard en omvang en ernst hier aan elkaar gelijkgesteld
    kunnen worden blijkt duidelijk uit het rapport Opsporing
    gezocht
    van de werkgroep-Van Traa en ook uit de parlementaire
    discussie die over dit rapport heeft
    plaatsgevonden met het oog op de instelling van de Enqutecommissie.
    De herformulering van de vraag naar de aard en omvang in de vraag
    naar de ernst is desalniettemin niet zonder betekenis. Z
    geformuleerd brengt deze vraag ons namelijk dichter bij de
    parallelle vraag die in dit verband aan de orde is, nl. de vraag
    naar wat er kan en misschien moet worden gedaan om de
    georganiseerde criminaliteit effectiever en als het kan, efficinter
    aan te pakken. Hoe ernstiger dit probleem immers is, des te
    ingrijpender middelen, ook in de sfeer van de opsporingsmethoden,
    zijn geboden om het te beheersen (Fijnaut en Marx, 1995). Ook
    volgens Amerikaans onderzoek moet de ernst van het probleem van
    georganiseerde criminaliteit niet alleen worden uitgedrukt in de
    aard en in de omvang van die criminaliteit maar ook in de schade
    die zij aanricht (Maltz, 1990). Idealiter zou ter bepaling van de
    ernst van een probleem van georganiseerde criminaliteit, in een
    land of in een stad, dus zowel de aard en de omvang als de schade
    van deze criminaliteit moeten worden vastgesteld. Welnu, dit ideaal
    is nog nooit ergens ter wereld op een verantwoorde manier bereikt,
    niet in kwalitatieve termen, laat staan in kwantitatieve termen.
    Zelfs voor die vorm van georganiseerde criminaliteit die ook
    beleidsmatig zo prominent de aandacht trekt, de internationale
    drugshandel, is wereldwijd of nationaal geen adequate ernstmeting
    voorhanden.

    lees meer

    Bijlage VII – VIII. ALGEMEEN BESLUIT

    VIII. ALGEMEEN BESLUIT

    In Nederland is al een aantal jaren een publieke discussie
    gaande over de aard, de omvang en de schade – kortom de ernst – van
    de georganiseerde criminaliteit. Sommigen menen dat de situatie
    heel ernstig is en poneren zelfs dat een ontwrichting van het
    maatschappelijk leven door toedoen van deze criminaliteit tot de
    rele mogelijkheden behoort, zo zij niet reeds aan de gang is.
    Anderen schatten de situatie weer heel wat minder ernstig in en
    gaan er van uit dat het traditionele bendewezen slechts een nieuwe
    gedaante heeft aangenomen. Zulke verschillen van opvatting zijn ten
    dele mogelijk omdat er tot nu toe weinig systematisch en grondig
    empirisch onderzoek is gedaan naar het probleem van de
    georganiseerde criminaliteit in ons land. Hierdoor is het immers
    mogelijk dat allerlei dingen kunnen worden beweerd zonder dat ze
    direct of indirect kunnen worden gelogenstraft met feiten. Ten dele
    hangen dergelijke verschillen van opvatting echter ook samen met
    het feit dat georganiseerde criminaliteit niet door iedereen op
    dezelfde manier wordt gedefinieerd. Wanneer immers wordt gekozen
    voor een ruime definitie – zeggende bijvoorbeeld dat georganiseerde
    criminaliteit evengoed betrekking kan hebben op hirarchisch
    georganiseerde groepen die zich met geweld en corruptie een weg
    banen naar duurzame machtsposities in bepaalde legale economische
    sectoren als op groepjes gewiekste flessentrekkers en overvallers –
    dan is het probleem dat deze criminaliteit stelt, ook in de
    verbeelding, al vlug vele malen ernstiger, toch zeker in omvang,
    dan wanneer een enge definitie wordt aangehouden, bijvoorbeeld dat
    er slechts sprake is van georganiseerde criminaliteit als criminele
    groepen inderdaad controle hebben weten te krijgen over een of meer
    legale branches in de economie. In het licht van deze
    verwarringstichtende discussie is het geen wonder dat ook in de
    politiek, in het parlement, bij herhaling de vraag is opgeworpen
    hoe ernstig het probleem van de georganiseerde criminaliteit nu
    eigenlijk is. Deze vraag bleef echter lange jaren onbeantwoord. Ja,
    er werd wel een antwoord gegeven – door middel van de opeenvolgende
    inventarisaties van de CRI/het CBO maar dit antwoord maakte de
    verwarring alleen maar groter omdat de bedoelde inventarisaties, om
    allerhande redenen, keer op keer hl verschillende kwantitatieve
    beelden van de werkelijkheid produceerden. Een meer evenwichtige
    beantwoording van de betrokken vraag drong zich echter op toen zij
    in de schoot van de parlementaire Werkgroep vooronderzoek
    opsporingsmethoden werd gekoppeld aan de vraag naar de normering
    van deze methoden. Toen dan ook nog de Tweede Kamer, in haar
    discussie over het rapport van die werkgroep Opsporing
    gezocht
    , de juistheid van deze koppeling onderschreef, lag het
    voor de hand dat de Parlementaire Enqutecommissie
    Opsporingsmethoden die vervolgens werd ingesteld, een empirisch
    onderzoek gelastte naar het probleem van de georganiseerde
    criminaliteit in Nederland. Meer bepaald vroeg zij de onderzoekers
    drie dingen te bezien:

    lees meer

    Bijlage VII – VII.3. Besluit

    VII.3. Besluit

    Vorenstaande beschrijvingen maken duidelijk dat ook in Nederland
    de democratische rechtsstaat, vooral in de vorm van de
    strafrechtspleging, tegenwoordig op uiteenlopende manieren onder
    druk wordt gezet door criminele groepen. Hoe hoog deze druk is valt
    in het algemeen niet te beantwoorden. Wel is duidelijk dat hij in
    Amsterdam de laatste jaren veel hoger is geweest dan in steden als
    Arnhem, Nijmegen en Enschede. Er kan dus eigenlijk alleen in
    relatieve termen iets over worden gezegd. Maar dit neemt niet weg
    dat kan worden gesteld dat ook in Arnhem de spanning in welbepaalde
    gevallen hoog is opgelopen. Bij het vorenstaande moet worden
    aangetekend dat de toepassing van contrastrategien tot op dit
    moment kennelijk goeddeels beperkt is gebleven tot ambtenaren in
    uitvoerende functies bij overheidsorganen die het meest direct zijn
    betrokken bij de repressieve bestrijding van georganiseerde
    criminaliteit, in het bijzonder de (algemene en reguliere)
    politiediensten, de koninklijke marechaussee en de douane. En dit
    ligt natuurlijk ook voor de hand: zij belichamen het meest tastbaar
    het risico dat de democratische rechtsstaat die zich teweerstelt,
    betekent voor criminele groepen. Er is dus geen sprake van dat
    zulke groepen langs de weg van corruptie en/of intimidatie
    belangrijke overheidsdiensten, laat staan gewichtige bestuurlijke
    organen of autoriteiten, onder controle zouden hebben. Niettemin
    geven enkele voorvallen uit de genoemde steden aan dat in elk geval
    op plaatselijk niveau de grens tussen openbaar bestuur (lees:
    (deel)gemeenteraad) en criminele groepen niet absoluut is en dus
    zorgvuldig moet worden bewaakt.

    lees meer

    Bijlage VII – VII.2. De situatie op plaatselijk niveau

    VII.2. De situatie op plaatselijk niveau

    Juist omdat op landelijk niveau zo weinig zicht bestaat op de
    feitelijke toepassing van de betrokken contrastrategien is het
    noodzakelijk om ook op plaatselijk niveau te bezien wat in dit
    opzicht de situatie is.

    lees meer

    Bijlage VII – VII.1. De landelijke situatie

    VII.1. De landelijke situatie

    Er is in Nederland geen instantie die een goed beeld heeft van
    de schaal waarop door criminele groepen contrastrategien worden
    gehanteerd. Ook de BVD en de rijksrecherche beschikken niet over de
    informatie om hiervan een adequaat beeld te construeren. Dit hangt
    ten dele samen met hun positie, taak en bevoegdheden binnen het
    openbaar bestuur, ten dele met het (geheimzinnig en controversieel)
    karakter van de bedoelde strategien zelf, en ten dele zeker ook met
    de belangen die lagere en hogere overheden hebben bij het
    stilhouden van hun ervaringen met de toepassing ervan. Zelfs van
    het onderwerp waar rond de laatste jaren nog de meeste openheid tot
    stand is gebracht, namelijk politile corruptie, bestaat nergens bij
    de centrale overheid, inclusief de zojuist genoemde instanties, een
    goed overzicht (Fijnaut, 1993). En hier kan in n adem aan worden
    toegevoegd dat het grote tekort aan ambtelijk inzicht tot nu toe
    niet is goedgemaakt door adequaat empirisch wetenschappelijk
    onderzoek (Hoetjes, 1991; Huberts, 1992).

    lees meer

    Bijlage VII – VII. CONTRA DE NEDERLANDSE OVERHEID

    VII. CONTRA DE NEDERLANDSE OVERHEID

    Met name in hoofdstuk IV, waarin de actuele verschijningsvormen
    van traditionele georganiseerde criminaliteit zijn besproken, is
    bij herhaling gewezen op de talrijke manieren waarop criminele
    groepen hun illegale optreden niet alleen proberen te beveiligen
    tegen concurrerende groepen, tegen rippers enzovoort, maar
    ook proberen af te schermen tegen de overheid. De maatregelen die
    hiertoe worden getroffen variren van de voortdurende wisseling van
    auto’s om mogelijke politile observatie te bemoeilijken tot de
    intimidatie van medestanders om tegen te gaan dat zij informanten
    van de politie zouden worden. Al zulke modi operandi kunnen
    algemeen als defensieve voorzorgsmaatregelen worden
    gekenschetst. Het zijn maatregelen die moeten bewerkstelligen dat
    de betrokken illegale activiteiten zoveel mogelijk geheim blijven
    voor de overheid. Typisch voor veel georganiseerde criminaliteit is
    nu echter dat de activiteiten in kwestie welhaast per definitie
    niet geheim kunnen blijven, omdat de goederen en diensten waarom
    het gaat, op enig moment op de markt moeten worden gebracht – het
    weze drugs, het weze vrouwen, het weze wapens. In tegenstelling tot
    wat vaak wordt gedacht, is ook georganiseerde criminaliteit in
    bepaalde opzichten dus zeer zichtbare criminaliteit. En om de grote
    risico’s die haar zichtbaarheid oplevert, te neutraliseren zijn
    groepen die deze criminaliteit bedrijven, steeds enigermate
    genoodzaakt om hun beveiliging op te voeren door in aanvulling op
    defensieve tegenmaatregelen ook offensieve tegenmaatregelen
    te treffen, zeker op momenten waarop de kans toeneemt dat de
    overheid effectief tegen hen in het geweer komt. Dan gaat het niet
    meer om maatregelen die worden getroffen om het eigen optreden voor
    de overheid te verheimelijken, maar om maatregelen die worden
    getroffen om het optreden van de overheid te bestrijden. Mede
    hierom is in de definitie van georganiseerde criminaliteit die in
    dit onderzoek is gehanteerd, ook zo’n belangrijke plaats toegekend
    aan deze maatregelen, die verder als contrastrategien worden
    aangeduid (zie hoofdstuk II).

    lees meer

    Bijlage VII – VI.4. Besluit

    VI.4. Besluit

    In dit hoofdstuk is de aandacht gevestigd op de wijzen waarop
    bruggen worden geslagen tussen criminele groepen en de wettige
    maatschappelijke omgeving. De door misdrijf verkregen gelden vormen
    de belangrijkste schakel tussen beide werelden. In de wettige
    wereld leveren sommige vrije-beroepsbeoefenaars deskundige adviezen
    om misdaadgeld op een veilige manier te besteden. Bovendien dragen
    de uitstraling van eerlijkheid en onafhankelijkheid van het ambt en
    de waarde die wordt toegekend aan de bescherming van de
    vertrouwensrelatie met de clint er aan bij dat de beroepsbeoefenaar
    niet snel de verdenking op zich zal laden dat hij verwijtbaar
    betrokken is bij het afschermen van misdaadgeld. Naast dergelijke
    personen worden ook bestaande, op zichzelf legale juridische en
    financile constructies gebruikt om misdaadgeld weg te sluizen in de
    legale economie. Zo kunnen bijvoorbeeld de juridische en
    economische eigendom worden gesplitst om het bezit van misdaadgeld
    een schijnbaar legale status te geven.

    lees meer

    Bijlage VII – VI.3. Het wegsluizen van misdaadgeld in de legale economie

    VI.3. Het wegsluizen van misdaadgeld in de legale
    economie

    Misdaad loont. De winsten die met georganiseerde criminaliteit
    worden behaald, zijn soms buitensporig hoog. Toch is de aandacht in
    Nederland voor het confisceren van deze winsten pas van recente
    datum. Meer in het algemeen is er, zoals reeds in hoofdstuk IV naar
    voren kwam, betrekkelijk weinig kennis over de omvang en de aard
    van de bestedingen van misdaadgeld. In de jaren zeventig en tachtig
    groeide weliswaar de aandacht voor de omvang van zwart geld, het
    voor de fiscus verzwegen inkomen, maar deze problematiek werd niet
    in verband gebracht met de opbrengsten uit misdaad. Overigens is
    het in de legale economie sluizen van winsten van georganiseerde
    criminaliteit in internationaal verband onder het trefwoord money
    laundering eerder wel hoog op de politieke agenda terechtgekomen
    (Van Zoest, 1995). Witwassen is de verbindende schakel tussen de
    illegaliteit en de legale sectoren van de economie; het vereist de
    (al dan niet verwijtbare) betrokkenheid van integer geachte
    personen (onder wie advocaten en accountants) en systemen, zoals
    het bankwezen en de beurs. Niet zozeer door de criminele
    grondfeiten maar door het wegsluizen van crimineel geld in het
    legale circuit kan de zo gevreesde innesteling of infiltratie
    plaatsvinden. Vanwege de enorme geldbedragen, die in de criminele
    wereld in omloop zijn, is witwassen geen symptoom van het
    eigenlijke probleem (georganiseerde criminaliteit), maar is het een
    probleem op zichzelf geworden.

    lees meer

    Bijlage VII – VI.2. De rol van de vrije-beroepsbeoefenaars

    VI.2. De rol van de vrije-beroepsbeoefenaars

    In de afgelopen jaren zijn enkele vrije-beroepsbeoefenaars in
    opspraak geraakt omdat zij banden zouden onderhouden met de
    georganiseerde misdaad. Ook binnen de beroepsgroepen zelf is
    toenemende zorg ontstaan over de dreiging die van de georganiseerde
    criminaliteit uitgaat op de integriteit van deze vrije beroepen. In
    dit kader zijn vooral de advocatuur, het notariaat en de
    accountancy van belang. Hoe zeer deze beroepen inhoudelijk ook van
    elkaar verschillen, zij zijn alle drie professionele
    beroepen. Van professionele beroepsbeoefenaars wordt verwacht dat
    zij op grond van de maatschappelijke functie van hun beroep een
    zekere mate van maatschappelijke verantwoordelijkheid dragen. Deze
    maatschappelijke functie gaat gepaard met een aantal privileges,
    zoals een monopoliepositie met betrekking tot het verlenen van
    bepaalde diensten en een verschoningsrecht voor de advocaat en de
    notaris. De maatschappelijke status van deze beroepen, vooral dat
    van de traditionele professionele beroepsbeoefenaars als de
    advocaat en de notaris, komt tot uitdrukking in hun uitstraling van
    respectabiliteit en betrouwbaarheid. Het fundamentele belang van
    dit goede vertrouwen voor het maatschappelijk verkeer kan moeilijk
    worden overschat.

    lees meer

    Bijlage VII – VI.1. Inleiding

    VI. BRUGFUNCTIES IN DE GEORGANISEERDE
    CRIMINALITEIT

    VI.1. Inleiding

    Zoals in het vorige hoofdstuk naar voren is gekomen, opereert de
    georganiseerde criminaliteit niet in een maatschappelijk vacum.
    Criminele groepen onderhouden tal van parasitaire en symbiotische
    relaties met legale sectoren van de samenleving. In deze zin is de
    wettige wereld een levensvoorwaarde voor de georganiseerde
    criminaliteit. Ook in dit hoofdstuk wordt de aandacht gevestigd op
    de verbindingen tussen de georganiseerde criminaliteit en de
    conventionele samenleving. De nadruk ligt hier op de manier waarop
    de wettige wereld zich leent voor het leveren van hand- en
    spandiensten aan de georganiseerde criminaliteit. Als gevolg
    hiervan worden niet alleen de gepleegde misdrijven, maar ook de
    illegaal verkregen opbrengsten effectief afgeschermd van de
    politie, justitie en fiscus.

    lees meer

    Bijlage VII – V.8. Besluit

    V.8. Besluit

    In de discussie over de ontwikkeling van de georganiseerde
    criminaliteit is in de afgelopen jaren haar dreigende vervlechting
    met legale economische sectoren voortdurend aan de orde gesteld.
    Bij herhaling werd gewag gemaakt van het feit dat de onderwereld
    langzaam maar zeker de bovenwereld zou infiltreren. Italiaanse of
    Amerikaanse toestanden zouden ook in Nederland reeds spelen. De
    integriteit van de Nederlandse maatschappij zou gevaar lopen. Het
    lag derhalve voor de hand dat in dit onderzoek werd nagegaan of van
    een dergelijke evolutie sprake is.

    lees meer

    Bijlage VII – V.7. De textielnijverheid

    V.7. De textielnijverheid

    Van de textielnijverheid kan men zeggen dat zij historisch
    verdacht is wanneer het gaat om georganiseerde criminaliteit. De
    georganiseerde criminaliteit kreeg greep op de textielnijverheid in
    New York door de vakbonden van textielwerknemers over te nemen na
    ernstige arbeidsconflicten (Block en Chambliss, 1981). In Nederland
    is echter van een dergelijke ontwikkeling nooit sprake geweest. Na
    de ineenstorting van de textielindustrie in de jaren zestig en
    zeventig als gevolg van de concurrentie van de lage-lonen-landen in
    Azi, verschenen op diverse plaatsen in het midden van de jaren
    tachtig wel allerlei naaiateliers. Deze ateliers kwamen op als
    gevolg van de internationale ontwikkelingen in de
    confectie-industrie waarin om een flexibele en snelle produktie
    wordt gevraagd. Zij werden veelal door Turken als zelfstandige
    ondernemers opgezet en waren gevestigd in Amsterdam, de Achterhoek,
    Brabant, Limburg en Twente. Het aantal bedrijven in Nederland steeg
    spectaculair, van 28 in 1981 tot ongeveer 1.000 in 1993 (Van
    Vondelen, 1993). In het begin waren de confectie-ateliers bijna
    allemaal legaal, maar toen de prijzen gingen dalen en de
    concurrentie toenam, terwijl het aanbod aan illegale werkers in
    Nederland alsmaar groter werd, gleden de meeste van de legale
    ateliers af naar een gedeeltelijk en later zelfs naar een volledig
    illegale bedrijfsvoering. Zwarte loonbetalingen, werken met
    illegale vreemdelingen, handel in valse facturen waren instrumenten
    om het hoofd boven water te houden. Na verloop van tijd drong tot
    de buitenwereld door dat er met illegale werkneem(st)ers onder
    uiterst slechte arbeidsomstandigheden werd gewerkt en deden
    geruchten de ronde dat de (Turkse) georganiseerde criminaliteit
    daarbij zou zijn betrokken.

    lees meer

    Bijlage VII – V.6. De afvalverwerkingsbranche

    V.6. De afvalverwerkingsbranche

    De afvalverwerkingsbranche heeft zich in Nederland in relatief
    korte tijd kunnen ontwikkelen van een marginale bezigheid tot een
    krachtige economische sector. De omzet is groot. Er valt veel geld
    te verdienen aan de restanten van de welvaartsmaatschappij. Afval
    is een inelastisch goed waardoor de afvalbedrijven in zekere zin
    zelf de prijs voor de verwerking kunnen bepalen. Het milieubeleid
    van de Nederlandse overheid heeft aan de ene kant geleid tot het
    opschroeven van de eisen die aan de verwerking van afval worden
    gesteld en aan de andere kant heeft het een verregaande vorm van
    zelfregulering en privatisering in de hand gewerkt, zonder dat er
    is gezorgd voor een adequaat controlesysteem. Bepaalde condities in
    de afvalverwerkingsbranche hebben zich jarenlang redelijk
    ongestoord kunnen ontwikkelen waardoor een gelegenheidsstructuur is
    ontstaan die een voedingsbodem voor zware milieu-criminaliteit
    vormt. Een van deze condities is dat er veel overheidsinstanties
    bij zijn betrokken die door de branche-organisaties en handige
    afvalverwerkers tegen elkaar worden
    uitgespeeld. Verder is de afvalmarkt sterk in beweging. De
    kleinere, van oudsher familiale bedrijven ondervinden steeds
    grotere concurrentie van kapitaalkrachtige bedrijven, die proberen
    monopolieposities in de gehele keten te verkrijgen. Hoe meer
    onderdelen van die keten een bedrijf in bezit heeft, des te groter
    zijn de winstkansen voor dat bedrijf en des te moeilijker is het
    door de overheid te controleren. De grote bedrijven zullen de
    kleinere na verloop van tijd ook uit de markt drukken omdat de
    afvalverwerking aan steeds hogere milieu-eisen moet voldoen. Die
    eisen hebben immers tot gevolg dat steeds grotere investeringen
    nodig zijn om adequate verwerkingsinstallaties te laten bouwen.

    lees meer

    Bijlage VII – V.5. De bouwnijverheid

    V.5. De bouwnijverheid

    In ons land is de bouwnijverheid een economische sector waar
    veel geld in omgaat. Criminele groepen zouden in deze sector dus
    met racketeering een vaste bron van inkomsten kunnen
    aanboren. De sector is in elk geval erg gevoelig voor een
    dergelijke illegale praktijk. Standaardisering van complete
    projecten is in de bouwnijverheid vrijwel onmogelijk. Er moet ter
    plekke worden gebouwd. Bovendien is het bouwproces uiterst
    arbeidsintensief waardoor de kosten per produktie-eenheid erg hoog
    liggen. In de bouwnijverheid moet personeel trouwens altijd naar de
    bouwplaats worden gebracht in tegenstelling tot andere
    bedrijfstakken die hun produktie naar gebieden met goedkopere
    arbeidskrachten kunnen verplaatsen. Haar kwetsbaarheid wordt nog
    verhoogd door de grote onderlinge concurrentie. Verder moeten
    bouwondernemers altijd onder grote tijdsdruk werken. De
    bouwnijverheid is ook zeer gefragmenteerd en flexibel. Het grote
    aantal bouwbedrijven biedt aan ruim 330.000 mensen werk. De meeste
    bedrijven hebben nauwelijks zelf personeel in dienst en bestaan
    relatief kort. Dit korte bestaan wordt mede in de hand gewerkt door
    de snelheid waarmee kan worden teruggekeerd in de bouwnijverheid.
    Het is in Nederland vrij eenvoudig met een nieuwe onderneming tot
    de bouwnijverheid toe te treden (personeel, kennis en
    kapitaalgoederen zijn makkelijk in te huren of via een katvanger te
    koop). Het aantal faillissementen in de bouwnijverheid is dan ook
    groter dan in andere bedrijfstakken. Volgens een recente analyse
    (Corten, 1994) is 36% van de nieuwe ondernemingen binnen drie jaar
    failliet. De belangrijkste reden hiervan is het gebrek aan eigen
    vermogen of kapitaal. In hoeverre er ook sprake is van frauduleuze
    faillissementen is niet duidelijk.

    lees meer

    << oudere artikelen  nieuwere artikelen >>