Bijlage VI – 9.3 Zaken en werkwijzeJanuary 1, 1999
9.3 Zaken en werkwijze
9.3.1 Sturing en controle van de politie
Artikel 13, eerste lid Politiewet 1993 bepaalt dat de politie
onder het gezag van de officier van justitie staat, indien zij
optreedt ter strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel
diensten verricht ten dienste van justitie (onder andere
vreemdelingentoezicht en uitvoering van de wet-Mulder). Onder
strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde wordt verstaan:
lees meer
Bijlage VI – 9.2 Organisatie van het OMJanuary 1, 1999
9.2 Organisatie van het OM
De officieren van justitie staan in het hirarchische verband van
het openbaar ministerie onder het gezag van de hoofdofficier van
justitie, die aan het hoofd staat van n van de negentien
arrondissementsparketten. Ieder arrondissementsparket valt onder n
van de vijf ressortsparketten die alle worden geleid door een
procureur-generaal. Samen vormen de vijf procureurs-generaal het
College van procureurs-generaal dat als de centrale leiding van het
OM fungeert. Daarenboven is de minister van Justitie zoals vermeld
bevoegd bevelen te geven aan de individuele leden van het openbaar
ministerie.
lees meer
Bijlage VI – 9.1 InleidingJanuary 1, 1999
9 OPENBAAR MINISTERIE
9.1 Inleiding
9.1.1 Algemene introductie
Het openbaar ministerie (OM) is belast met de strafrechtelijke
handhaving der rechtsorde. Daartoe beschikt het OM over het
vervolgingsmonopolie en draagt de officier van justitie het gezag
over de opsporing. Verder heeft het OM verschillende andere taken,
zoals de tenuitvoerlegging van rechterlijke vonnissen en, sinds de
inwerktreding van de Politiewet 1993, taken die voortvloeien uit
het medebeheer van de politie. In dit hoofdstuk staat de rol van
(de leden van) het OM bij de opsporing centraal. Met name in het
kader van die taak komt het openbaar ministerie in aanraking met de
georganiseerde criminaliteit en worden door het OM
opsporingsmethoden ingezet.
lees meer
Bijlage VI – 8.6 ConclusiesJanuary 1, 1999
8.6 Conclusies
1 De BVD verricht niet op eigen initiatief onderzoek naar
strafbare feiten. 2 De BVD beschikt niet over een inventarisatie
van gevallen waarin de georganiseerde criminaliteit de integriteit
van de overheid bedreigt.
lees meer
Bijlage VI – 8.5 Informatievergaring, -opslag en
-verstrekkingJanuary 1, 1999
8.5 Informatievergaring, -opslag en -verstrekking
8.5.1 Wettelijk kader
Artikel 13, eerste lid, WIV schrijft voor dat de diensten
elkaar, mede door het verschaffen van gegevens, zoveel mogelijk
medewerking verlenen. De mogelijkheid tot informatieuitwisseling
tussen de Binnenlandse veiligheidsdienst en de Militaire
Inlichtingendienst is daarmee onbegrensd. In artikel 14 WIV is de
zorg voor geheimhouding van gegevens en bronnen alsmede voor de
veiligheid van personen met wier medewerking gegevens worden
verzameld, opgedragen aan de cordinator van de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten en de hoofden van deze diensten. De bepaling
biedt daarmee onder meer bescherming aan informanten en
agenten.
lees meer
Bijlage VI – 8.4 Bijzondere methodenJanuary 1, 1999
8.4 Bijzondere methoden
8.4.1 Algemeen
Artikel 20, eerste lid WIV bepaalt dat de ambtenaren van de BVD
geen bevoegdheid tot het opsporen van strafbare feiten hebben. De
ambtenaren als bedoeld in artikel 18 WIV (onder wie de
RID-rechercheurs) beschikken doorgaans uit hoofde van hun functie
over opsporingsbevoegdheden. In geval zij werkzaamheden verrichten
in het kader van de BVD-taak oefenen zij geen bevoegdheden tot het
opsporen van strafbare feiten uit (artikel 20 lid 2 WIV).
lees meer
Bijlage VI – 8.3 De BVD en criminaliteitsbestrijdingJanuary 1, 1999
8.3 De BVD en criminaliteitsbestrijding
8.3.1 Het gebruik van BVD-informatie in een
strafproces
Het gebruik van BVD-informatie ten behoeve van strafvordering
doet zich in de praktijk voor, bijvoorbeeld na de aanhouding van
actievoerders bij de ontruiming van het Wolters-Noordhoff-complex
te Groningen op 27 mei 1990. De BVD zou met name informatie hebben
verschaft ten behoeve van de identificatie van de aangehouden
personen.
lees meer
Bijlage VI – 8.2 De Binnenlandse veiligheidsdienstJanuary 1, 1999
8.2 De Binnenlandse veiligheidsdienst
8.2.1 Organisatie
De BVD bestaat uit zes directies die hirarchisch ressorteren
onder het hoofd van de BVD. In de eerste directie zijn
ondergebracht strategie, planning en controle alsmede juridische
zaken en communicatie. Deze directie kan worden beschouwd als een
stafafdeling. Directie twee (D2) heeft als aandachtsgebied de
democratische rechtsorde, directie drie (D3) de veiligheid van de
staat, en directie vier (D4) het maatschappelijk en
economisch leven. Elk van deze drie directies heeft vijf
afdelingen: teamleiders, onderzoek, documentatie, studie en
bewerking, en beveiligingsadvies. De vijfde directie (operationele
informatievergaring) geeft ondersteuning aan het primaire proces.
In deze directie zijn de vaardigheid en deskundigheid aanwezig die
de inzet van bijzondere middelen ter informatievergaring, zoals de
telefoontap en de observatie van personen vereisen. Directie zes
houdt zich bezig met managementadvies en de centrale faciliteiten
(personeelszaken, financin e.d.). Bij de BVD zijn ongeveer 560
personen werkzaam.
lees meer
Bijlage VI – 8.1 InleidingJanuary 1, 1999
8 INLICHTINGENDIENSTEN
8.1 Inleiding
8.1.1 Wettelijk kader
De taak van de Binnenlandse veiligheidsdienst (BVD) is geregeld
in de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (verder af te
korten tot WIV). Artikel 8, tweede lid formuleert haar als volgt:
a het verzamelen van gegevens omtrent organisaties en personen
welke door de doelen die zij nastreven, dan wel door hun
activiteiten aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij
een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische
rechtsorde, dan wel voor de veiligheid of voor andere gewichtige
belangen van de Staat;
lees meer
Bijlage VI – 7.8 ConclusiesJanuary 1, 1999
7.8 Conclusies
1. De door de commissie onderzochte bijzondere
opsporingsdiensten hebben een landelijke taak, worden beheerd door
een ministerie en hebben een duidelijke gezagslijn met het OM. De
FIOD, het MBT, de DRZ en in praktijk ook de ECD zijn primair
opsporingsdiensten; bij de AID is toezicht en opsporing formeel
verweven maar organisatorisch onderscheiden. De diensten ontlenen
hun taak aan bijzondere wetten voor de handhaving waarvan hun
departement verantwoordelijk is. Dit bepaalt hun
prioriteitenstelling in hoge mate. 2. Strafrechtelijke handhaving
van bijzondere wetten betreft zaken waarbij grote schadebedragen
aan de orde kunnen zijn; in verhouding daarmee is de beschikbare
capaciteit van het OM om vervolg te geven aan het
opsporingsonderzoek opmerkelijk gering.
lees meer
Bijlage VI – 7.7 Dienst recherchezaken VROMJanuary 1, 1999
7.7 Dienst recherchezaken VROM
7.7.1 De organisatie
De Dienst recherchezaken van het ministerie van VROM is een
bijzondere opsporingsdienst die rechtstreeks ressorteert onder de
secretaris-generaal. Het landelijk werkterrein is verdeeld in drie
regio’s – West, Noord-Oost en Zuid. Op dit moment zijn er 74
personen werkzaam, vrijwel allen met tien tot vijftien jaar
politie-ervaring, een VROM-opleiding en een SPD-diploma
boekhouden.
lees meer
Bijlage VI – 7.6 Het MilieubijstandsteamJanuary 1, 1999
7.6 Het Milieubijstandsteam
7.6.1 De organisatie
Het Milieubijstandsteam (MBT) valt onder de Inspectie
milieuhygine die een onderdeel is van het Directoraat-generaal
milieubeheer van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer (VROM). Het MBT is opgericht in 1985. De
Inspectie milieuhygine bestaat uit een hoofdinspectie en negen
regionale inspecties. De hoofdinspectie bestaat onder meer uit de
Hoofdafdeling handhaving milieuwetgeving die is belast met de
centrale cordinatie van toezicht- en opsporingsactiviteiten van
alle inspecties. Deze hoofdafdeling bestaat onder meer uit de
Afdeling toezicht afvalstoffen, de Afdeling toezicht straling,
stoffen en produkten en de Afdeling milieudelicten. Het hoofd van
deze laatste afdeling is tevens hoofd van het MBT.
Noot
lees meer
Bijlage VI – 7.5 De rechtshandhaving op SchipholJanuary 1, 1999
7.5 De rechtshandhaving op Schiphol
7.5.1 De organisatie
De Koninklijke marechaussee, district luchtvaart, is per 1
januari 1994 belast met de uitvoering van de politietaken op
Schiphol. Veel rijkspolitiemensen die hiervoor werkzaam waren op
Schiphol zijn overgestapt naar de marechaussee. De organisatie
omvat drie diensten: de Politiedienst (uniformdienst), die onder
meer de handhaving van de openbare orde op Schiphol tot taak heeft,
de Dienst grensbewaking, die zich onder meer bezig houdt met de
opvang, de intake en het uitzetten van asielzoekers, en de
Justitile dienst (in burger), die zich onder meer bezighoudt met
aanhoudingen in het kader van de Opiumwet, maar ook in verband met
vrouwenhandel en mensensmokkel. Noot De Kmar heeft een
uitgebreid takenpakket. Zo doet de Kmar – op mandaat van de BVD
ingevolge de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten – sinds
drie jaar antecedentenonderzoek naar nieuwe medewerkers op
Schiphol. Hiertoe wordt onder meer samengewerkt met de CRI. Indien
blijkt dat iemand een criminele achtergrond heeft wordt dwingend
geadviseerd diegene niet in dienst te nemen. Noot Tevens
houdt zij toezicht op de particuliere beveiligingsdiensten die
werkzaam zijn op Schiphol. Hiertoe is zij gemandateerd door de
korpschef van de politieregio Kennemerland. Sinds 1985 beschikt het
Kmar-district luchtvaart over een eigen criminele
inlichtingendienst van zeven personen, een chef, een
plaatsvervangend chef, 4 runners en een documentaliste. Tevens
heeft de Kmar de beschikking over een observatieteam.
lees meer
Bijlage VI – 7.4 De Economische Controle DienstJanuary 1, 1999
7.4 De Economische Controle Dienst
7.4.1 De organisatie
De ECD heeft als centrale taakstelling de preventie en
bestrijding van economische (bedrijfs)criminaliteit die van een
zodanige omvang is, dat daardoor sprake is van een belemmering van
gezonde economische groei en van aantoonbare schade voor de
overheid, het bedrijfsleven en/of consumenten. Noot In
totaal werken er 202 mensen bij de ECD, waarvan 156 in de functie
van rechercheur. De ECD organiseert samen met de AID, DRZ-VROM en
Milieu een cursus voor de opleiding tot controleur en buitengewoon
opsporingsambtenaar. De dienst bestaat na de laatste reorganisatie
in 1993 uit drie hoofdafdelingen, te weten: de Economische
Ordeningsrecherche (EOR, 60 formatieplaatsen), de Internationale
Economische Recherche (IER, 62 formatieplaatsen) en de Financieel
Economische Recherche (FER, 34 formatieplaatsen). Daarnaast is er
de Centrale inlichtingen- en analysedienst, een pseudo CID. Voor
1995 waren in totaal bijna 7000 opsporingsonderzoeken gepland.
Noot
lees meer
Bijlage VI – 7.3 De Algemene inspectiedienstJanuary 1, 1999
7.3 De Algemene inspectiedienst
7.3.1 De organisatie
In tegenstelling tot de FIOD, die exclusief gericht is op
opsporing, heeft de AID toezicht, controle en opsporing in zijn
takenpakket. Deze controle en opsporing is gericht op de handhaving
van regelgeving die tot stand is gekomen onder verantwoordelijkheid
van de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van
relevante bepalingen van het Wetboek van Strafrecht. Bij de AID
werken 571 personen waarvan 458 controleurs, rechercheurs en
teamleiders en 113 stafmedewerkers. Er zijn drie regionale
inspecties, te weten West, Zuid en Noord/Oost, een Afdeling
recherche en een aantal stafbureaus. In het kader van dit onderzoek
naar opsporingsmethoden staat de afdeling recherche centraal.
De Afdeling recherche verricht veelal grootschalige
opsporingsonderzoeken. Dit krijgt vorm door het verlenen van
assistentie aan onderzoeken van de regionale inspecties. Tevens is
de afdeling belast met de cordinatie van deze onderzoeken in de
gevallen dat deze de inspectiegrenzen overschrijden, internationale
aspecten kennen en/of een recherchematige aanpak vergen. Daarnaast
is deze afdeling verantwoordelijk voor toezicht en controle op de
draf- en rensport. Noot
lees meer
<< oudere artikelen nieuwere artikelen >>