• Buro Jansen & Janssen, gewoon inhoud!
    Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, overheid in Nederland en de EU kritisch volgt. Een grondrechten kollektief dat al 40 jaar, sinds 1984, publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, veiligheid in breedste zin, bevoegdheden, overheidsoptreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Migratie

  • Politieklachten

  • Bijlage VI – 10.3 Zaken en werkwijze

    10.3 Zaken en werkwijze

    lees meer

    Bijlage VI – 10.2 Taak en organisatie

    10.2 Taak en organisatie

    10.2.1 De taak van de rechter-commissaris

    De rechter-commissaris heeft twee hoofdtaken. Hij dient
    allereerst het gebruik van ingrijpende dwangmiddelen te bewaken,
    dat wil zeggen te beslissen of in het belang van het
    strafrechtelijk onderzoek inbreuken op vrijheid
    en privacy van verdachten en andere personen kunnen worden gemaakt.
    Deze bevoegdheid hangt samen met de onafhankelijkheid van de
    rechter-commissaris. Hij wordt beter dan de officier van justitie
    in staat geacht een onpartijdig oordeel te vellen. Als de officier
    van justitie zulke ingrijpende maatregelen nodig acht, zal hij
    daarvoor altijd de toestemming van de rechter-commissaris moeten
    vragen. De toepassing van de klassieke dwangmiddelen wordt door de
    officier gevorderd en de rechter-commissaris beslist op die
    vordering. De tweede hoofdtaak is het instellen en verrichten van
    het gerechtelijk vooronderzoek door het verhoren van verdachten en
    getuigen (artt. 181, 184 lid 2, 185, 200 en 210 Sv), het
    onderzoeken van plaatsen (artt. 112 en 192 Sv) en andere
    onderzoekswerkzaamheden. De rechter-commissaris voert zijn taken in
    beginsel uit in aanwezigheid van de verdachte of diens raadsman,
    die hij steeds de gelegenheid moet geven vragen te stellen en
    opmerkingen te maken.

    lees meer

    Bijlage VI – 10.1 Inleiding

    10 RECHTERS-COMMISSARISSEN

    10.1 Inleiding

    10.1.1 Algemene introductie

    In Nederland bepaalt niet de rechter-commissaris, maar de
    officier van justitie de aard en de omvang van het strafrechtelijk
    onderzoek. Oorspronkelijk, in het Wetboek van Strafvordering van
    1838, droeg de rechter-commissaris de verantwoordelijkheid voor de
    instructie, het deel van het onderzoek naar misdaden, waarin
    dwangmiddelen tegen de persoon van de verdachte konden worden
    aangewend en de verdachte werd gedwongen zich aan het
    strafonderzoek te onderwerpen. Na de wijziging in het Wetboek van
    Strafvordering in 1886 en de vernieuwing ervan in 1926 is de
    officier van justitie daarvoor de verantwoordelijke. De voor de
    officier van justitie geldende verplichting rechtsingang te
    vorderen, waarmee de rechter-commissaris werd ingeschakeld, is in
    1926 afgeschaft. De officier van justitie bepaalt zelfstandig of
    hij een gerechtelijk vooronderzoek vordert en dus de
    rechter-commissaris in het onderzoek betrekt. De vordering van de
    officier van justitie is voor de rechter-commissaris een voorwaarde
    voor bevoegdheidsuitoefening. Noot En als de
    rechter-commissaris zijn werk heeft gedaan en het gerechtelijk
    vooronderzoek is gesloten, is het het openbaar ministerie dat
    beslist over verdere vervolging.

    lees meer

    Inhoud Bijlage VI

    Bijlage VI – Organisatie van de opsporing

    1 ALGEMENE INLEIDING

    lees meer

    Bijlage V – 9.5 Conclusies

    9.5 Conclusies

    9.5.1 Belangrijkste bevindingen

    In dit hoofdstuk zijn enkele bijzondere opsporingsmethoden
    onderzocht en is met name aandacht besteed aan de vraag welke
    mogelijke corruptie-risico’s aan het gebruik van deze methoden
    verbonden kunnen zijn. In Figuur 1 worden deze risico’s
    gellustreerd aan de hand van een aantal voorbeelden uit de
    bestudeerde casus.

    lees meer

    Bijlage V – 9.4 Gecontroleerde aflevering

    9.4 Gecontroleerde aflevering

    9.4.1 Casus

    (Mede-)plegen van strafbare feiten

    lees meer

    Bijlage V – 9.3 Infiltratie

    9.3 Infiltratie

    9.3.1 Casus

    Een onderwerp dat in de praktijk regelmatig in verband wordt
    gebracht met corruptie, is de (politile) infiltratie. Onder
    infiltratie verstaat de commissie: het met het oog op opsporing en
    vervolging onder gezag en regie van de politie en het openbaar
    ministerie binnendringen in een criminele organisatie of groep, het
    ervan deel uitmaken, het gebruik maken van personen die er reeds
    deel van uitmaken en het (desgevraagd) ondersteunen ervan, indien
    dit optreden gepaard gaat met het I) aannemen van een valse
    identiteit en/of II) verrichten van strafbare feiten en/of III)
    bieden van steun aan de criminele organisatie of groep. Momenteel
    zijn er vier zogenaamde politile infiltratie teams (PIT’s)
    operationeel. In totaal waren er in 1995 25 mensen werkzaam bij de
    infiltratieteams. Noot In bijlage 5 methoden,
    hoofdstuk 5
    Infiltratie wordt uitgebreider op deze
    opsporingsmethode ingegaan. In deze paragraaf zullen aan de hand
    van een aantal casus verschillende corruptie-risico’s bij
    infiltratie worden beschreven. Een (voormalig) hoofdinspecteur van
    de gemeentepolitie schrijft hierover bijvoorbeeld:

    lees meer

    Bijlage V – 9.2 Informanten

    9.2 Informanten

    9.2.1 Casus

    Persoonlijke relatie runner-informant

    lees meer

    Bijlage V – 9.1 Inleiding

    9 CORRUPTIE-GEVOELIGHEID VAN BIJZONDERE
    OPSPORINGSMETHODEN

    9.1 Inleiding

    9.1.1 Achtergrond en vraagstelling

    Sinds de jaren zeventig, toen bijvoorbeeld in het Amsterdamse
    korps werd gediscussieerd over gevallen van normafwijkend gedrag
    (naggen) en het verkrijgen van speciale politiekortingen (dalven)
    Noot , staat het onderwerp van politile corruptie
    regelmatig in het brandpunt van de belangstelling. In 1989 sprak
    bijvoorbeeld een aantal korpschefs openlijk hun bezorgdheid uit
    over de corruptie binnen hun eigen gelederen. Noot
    Hoofdcommissaris Brand van Den Haag verwoordde hun zorg als volgt:
    Er zijn altijd vormen van normafwijkend gedrag geweest, maar
    gemiddeld beperkte zich dat tot kleinere zaken. Maar waar we nu
    tegen aankijken, is tegen een georganiseerde criminaliteit, die
    meer dan in het verleden over geweldige hoeveelheden geld beschikt.
    En dan kun je er donder op zeggen dat er ook corruptie is binnen
    overheidsorganen. Je moet je realiseren dat er zoveel geld
    beschikbaar is dat ze proberen mensen tot echte corruptie over te
    halen. Ik moet helaas zeggen dat we het ook tegenkomen. Ook in
    politie-organisaties ontdekken we zo nu en dan dat het er is. Dat
    feit is op zich verontrustend. We zullen er geweldig achterheen
    moeten zitten. Het is nu ook dat we er soms rekening mee houden,
    dat wij soms dingen doen of laten omdat we weten dat corruptie in
    ons bedrijf niet meer is uitgesloten. Noot Het gevoelen
    dat politile corruptie een zeer ernstige zaak is en dat de ernst
    hiervan zal groeien naarmate de belangen van de geldbedragen in het
    criminele milieu toenemen was in maart 1990 voor de Recherche
    Advies Commissie (RAC) reden om een werkgroep in te stellen die
    onderzoek zou moeten doen naar de aard en de omvang van de
    corruptie binnen de politie. In 1992 verscheen het advies van
    Fijnaut aan deze commissie. Noot Dit advies was voor de
    Rechercheschool Zutphen aanleiding om op 14 oktober 1993 een
    studiedag te organiseren met als titel Politile corruptie in
    Nederland: verschijningsvormen, achtergronden en
    beheersingsstrategien Noot In 1991 wijdde het
    tijdschrift Justitile Verkenningen, dat onder andere wordt
    uitgegeven door het Wetenschappelijk Onderzoek en Documentatie
    Centrum van het ministerie van Justitie (WODC), een themanummer aan
    de betrouwbaarheid van de overheid. Dit nummer stond volledig in
    het teken van politile corruptie, omdat het politieapparaat, door
    het permanente contact met de criminele wereld, kwetsbaar is en
    omdat de betrouwbaarheid van het politieapparaat een absolute
    voorwaarde vormt voor haar optreden. De Raad van
    Hoofdcommissarissen, waarvan een lid speciaal is belast met het
    onderwerp integriteit, heeft eind 1994 een overzicht laten maken
    van de maatregelen die in de verschillende korpsen in Nederland
    worden genomen ter bestrijding van politile corruptie.
    Noot De noodzaak voor dergelijke maatregelen werd kort
    geleden nog onderstreept. In het voorjaar van 1995 verschenen
    verschillende berichten in de pers waarin
    vertrouwensfunctionarissen van twee grote korpsen in Nederland
    stelden, dat er het een en ander grondig mis is met de integriteit
    bij de politie. Andere korpsen hebben deze berichten inmiddels met
    klem van de hand gewezen. Noot

    lees meer

    Bijlage V – 8.6 Conclusies

    8.6 Conclusies

    1. Er is geen eenduidige regeling voor de inhoud van het
    strafdossier. De bepalingen van artikel 152 e.v. Sv zijn geen
    garantie voor voeging van de stukken in het dossier.
    De officier van justitie is verantwoordelijk voor de inhoud van het
    strafdossier. De rechter kan verlangen, al dan niet op verzoek van
    de verdediging, dat stukken aan het dossier worden toegevoegd. Hij
    beoordeelt de
    relevantie van die stukken zonder deze te kennen.
    2. De toepasbaarheid van de Wet persoonsregistraties op registers
    die door de politie worden gehouden, alsmede op die van de
    bijzondere opsporingsdiensten, maakt het geheel van de regelgeving
    ondoorzichtig. 3. De korpsen zijn vrij bijna alle politieregisters
    naar eigen inzicht in te richten. Uniformering ten behoeve van
    landelijk gebruik is wel tot stand gekomen.

    lees meer

    Bijlage V – 8.5 Verstrekkingen ten behoeve van het bestuur (bestuurlijke rechtshandhaving)

    8.5 Verstrekkingen ten behoeve van het bestuur (bestuurlijke
    rechtshandhaving)

    8.5.1 Inleiding

    Onder bestuurlijke rechtshandhaving wordt verstaan het geheel
    van bestuurlijke maatregelen dat kan worden aangewend ter
    beheersing van de georganiseerde criminaliteit. In zijn
    algemeenheid is het wenselijk om nauwe contacten (verstrengeling)
    tussen overheid en het normale bedrijfsleven en de criminele
    organisaties tegen te gaan.

    lees meer

    Bijlage V – 8.4 Verstrekking

    8.4 Verstrekking

    8.4.1 Juridische grondslag

    Wet politieregister

    lees meer

    Bijlage V – 8.3 Beheer van registers, sturing en controle

    8.3 Beheer van registers, sturing en controle

    8.3.1 Politieregisters

    Beheer, sturing en controle houden in de eerste plaats in
    voorafgaand toezicht, aanwijzing van de met uitvoering belaste
    functionarissen, reguliere en incidentele controle, uitoefening van
    het gezag en de uitoefening van rechten door de registreerden.

    lees meer

    Bijlage V – 8.2 Aanleg registers en opslag gegevens

    8.2 Aanleg registers en opslag gegevens

    lees meer

    Bijlage V – 8.1 Inleiding

    8 INFORMATIEHUISHOUDING

    8.1 Inleiding

    8.1.1 Omschrijving informatiehuishouding

    Het kenmerk van elke opsporingsmethode is het verzamelen van
    informatie. Informatiehuishouding heeft betrekking op de opslag,
    het beheer en de verstrekking van politiegegevens, ongeacht de
    wijze van vergaring. Politiegegevens zijn bovenal tot een persoon
    herleidbare gegevens.

    lees meer

    << oudere artikelen  nieuwere artikelen >>