Bijlage VI – 11.1 InleidingJanuary 1, 1999
11 BURGEMEESTERS EN KORPSBEHEERDERS
11.1 Inleiding
In dit hoofdstuk staan de sturing van en controle op de politie
door burgemeesters en korpsbeheerders centraal. Aan de
korpsbeheerder, doorgaans de burgemeester van de grootste gemeente
in de politieregio, is het beheer van het regionale politiekorps
opgedragen. Noot Het openbaar ministerie heeft in de
persoon van de hoofdofficier van justitie sinds het nieuwe
politiebestel voor het eerst een stem in het beheer van de politie.
Noot Bestuur en OM zijn, in de personen van korpsbeheerder en
hoofdofficier van justitie, beide verantwoordelijk voor het beheer
van een regiokorps. Beheersbevoegdheden met betrekking tot
territoriale onderdelen van de politie kunnen door de
korpsbeheerder worden overgedragen aan de burgemeester van de
betrokken gemeente. Daarnaast dragen burgemeesters het gezag over
de politie voor wat betreft de handhaving van de openbare orde.
Noot
lees meer
Bijlage VI – 10.5 ConclusiesJanuary 1, 1999
10.5 Conclusies
1. De functie van rechter-commissaris staat binnen de
rechterlijke macht veel meer dan vroeger in aanzien. Het vervullen
van de functie van rechter-commissaris draagt bij aan de
rechterlijke carrire. 2. Van een gemeenschappelijk strafrechtelijk
beleid kan binnen de kabinetten van de rechters-commissarissen niet
worden gesproken. Een dergelijk beleid wordt binnen de zittende
magistratuur in het algemeen niet wenselijk geacht in verband met
de onafhankelijkheid van de rechter.
lees meer
Bijlage VI – 10.4 Onafhankelijkheid, beleid en
hirarchieJanuary 1, 1999
10.4 Onafhankelijkheid, beleid en hirarchie
De rol(opvatting) van de rechter-commissaris kan alleen worden
begrepen tegen de achtergrond van de
onafhankelijkheid van de zittende magistratuur. Artikel 113 van de
Grondwet draagt de berechting van strafbare feiten aan de
rechterlijke macht (in enge zin, dus uitgezonderd de leden van het
OM) op. Artikel 117 GW bepaalt dat de leden van de rechterlijke
macht, met rechtspraak belast, voor het leven worden benoemd.
Noot Vooral hierdoor is de onafhankelijkheid
gewaarborgd. Hoewel volgens artikel 51 RO de leden van de
rechterlijke macht bij Koninklijk besluit worden benoemd en
bevorderd, laat de uitvoerende macht het benoemingsbeleid in de
praktijk aan de zittende magistratuur zelf over.
lees meer
Bijlage VI – 10.2 Taak en organisatieJanuary 1, 1999
10.2 Taak en organisatie
10.2.1 De taak van de rechter-commissaris
De rechter-commissaris heeft twee hoofdtaken. Hij dient
allereerst het gebruik van ingrijpende dwangmiddelen te bewaken,
dat wil zeggen te beslissen of in het belang van het
strafrechtelijk onderzoek inbreuken op vrijheid
en privacy van verdachten en andere personen kunnen worden gemaakt.
Deze bevoegdheid hangt samen met de onafhankelijkheid van de
rechter-commissaris. Hij wordt beter dan de officier van justitie
in staat geacht een onpartijdig oordeel te vellen. Als de officier
van justitie zulke ingrijpende maatregelen nodig acht, zal hij
daarvoor altijd de toestemming van de rechter-commissaris moeten
vragen. De toepassing van de klassieke dwangmiddelen wordt door de
officier gevorderd en de rechter-commissaris beslist op die
vordering. De tweede hoofdtaak is het instellen en verrichten van
het gerechtelijk vooronderzoek door het verhoren van verdachten en
getuigen (artt. 181, 184 lid 2, 185, 200 en 210 Sv), het
onderzoeken van plaatsen (artt. 112 en 192 Sv) en andere
onderzoekswerkzaamheden. De rechter-commissaris voert zijn taken in
beginsel uit in aanwezigheid van de verdachte of diens raadsman,
die hij steeds de gelegenheid moet geven vragen te stellen en
opmerkingen te maken.
lees meer
Bijlage VI – 10.1 InleidingJanuary 1, 1999
10 RECHTERS-COMMISSARISSEN
10.1 Inleiding
10.1.1 Algemene introductie
In Nederland bepaalt niet de rechter-commissaris, maar de
officier van justitie de aard en de omvang van het strafrechtelijk
onderzoek. Oorspronkelijk, in het Wetboek van Strafvordering van
1838, droeg de rechter-commissaris de verantwoordelijkheid voor de
instructie, het deel van het onderzoek naar misdaden, waarin
dwangmiddelen tegen de persoon van de verdachte konden worden
aangewend en de verdachte werd gedwongen zich aan het
strafonderzoek te onderwerpen. Na de wijziging in het Wetboek van
Strafvordering in 1886 en de vernieuwing ervan in 1926 is de
officier van justitie daarvoor de verantwoordelijke. De voor de
officier van justitie geldende verplichting rechtsingang te
vorderen, waarmee de rechter-commissaris werd ingeschakeld, is in
1926 afgeschaft. De officier van justitie bepaalt zelfstandig of
hij een gerechtelijk vooronderzoek vordert en dus de
rechter-commissaris in het onderzoek betrekt. De vordering van de
officier van justitie is voor de rechter-commissaris een voorwaarde
voor bevoegdheidsuitoefening. Noot En als de
rechter-commissaris zijn werk heeft gedaan en het gerechtelijk
vooronderzoek is gesloten, is het het openbaar ministerie dat
beslist over verdere vervolging.
lees meer
Inhoud Bijlage VIJanuary 1, 1999
Bijlage VI – Organisatie van de opsporing
1 ALGEMENE INLEIDING
lees meer
Bijlage V – 9.5 ConclusiesJanuary 1, 1999
9.5 Conclusies
9.5.1 Belangrijkste bevindingen
In dit hoofdstuk zijn enkele bijzondere opsporingsmethoden
onderzocht en is met name aandacht besteed aan de vraag welke
mogelijke corruptie-risico’s aan het gebruik van deze methoden
verbonden kunnen zijn. In Figuur 1 worden deze risico’s
gellustreerd aan de hand van een aantal voorbeelden uit de
bestudeerde casus.
lees meer
Bijlage V – 9.4 Gecontroleerde afleveringJanuary 1, 1999
9.4 Gecontroleerde aflevering
9.4.1 Casus
(Mede-)plegen van strafbare feiten
lees meer
Bijlage V – 9.3 InfiltratieJanuary 1, 1999
9.3 Infiltratie
9.3.1 Casus
Een onderwerp dat in de praktijk regelmatig in verband wordt
gebracht met corruptie, is de (politile) infiltratie. Onder
infiltratie verstaat de commissie: het met het oog op opsporing en
vervolging onder gezag en regie van de politie en het openbaar
ministerie binnendringen in een criminele organisatie of groep, het
ervan deel uitmaken, het gebruik maken van personen die er reeds
deel van uitmaken en het (desgevraagd) ondersteunen ervan, indien
dit optreden gepaard gaat met het I) aannemen van een valse
identiteit en/of II) verrichten van strafbare feiten en/of III)
bieden van steun aan de criminele organisatie of groep. Momenteel
zijn er vier zogenaamde politile infiltratie teams (PIT’s)
operationeel. In totaal waren er in 1995 25 mensen werkzaam bij de
infiltratieteams. Noot In bijlage 5 methoden,
hoofdstuk 5 Infiltratie wordt uitgebreider op deze
opsporingsmethode ingegaan. In deze paragraaf zullen aan de hand
van een aantal casus verschillende corruptie-risico’s bij
infiltratie worden beschreven. Een (voormalig) hoofdinspecteur van
de gemeentepolitie schrijft hierover bijvoorbeeld:
lees meer
Bijlage V – 9.2 InformantenJanuary 1, 1999
9.2 Informanten
9.2.1 Casus
Persoonlijke relatie runner-informant
lees meer
Bijlage V – 9.1 InleidingJanuary 1, 1999
9 CORRUPTIE-GEVOELIGHEID VAN BIJZONDERE
OPSPORINGSMETHODEN
9.1 Inleiding
9.1.1 Achtergrond en vraagstelling
Sinds de jaren zeventig, toen bijvoorbeeld in het Amsterdamse
korps werd gediscussieerd over gevallen van normafwijkend gedrag
(naggen) en het verkrijgen van speciale politiekortingen (dalven)
Noot , staat het onderwerp van politile corruptie
regelmatig in het brandpunt van de belangstelling. In 1989 sprak
bijvoorbeeld een aantal korpschefs openlijk hun bezorgdheid uit
over de corruptie binnen hun eigen gelederen. Noot
Hoofdcommissaris Brand van Den Haag verwoordde hun zorg als volgt:
Er zijn altijd vormen van normafwijkend gedrag geweest, maar
gemiddeld beperkte zich dat tot kleinere zaken. Maar waar we nu
tegen aankijken, is tegen een georganiseerde criminaliteit, die
meer dan in het verleden over geweldige hoeveelheden geld beschikt.
En dan kun je er donder op zeggen dat er ook corruptie is binnen
overheidsorganen. Je moet je realiseren dat er zoveel geld
beschikbaar is dat ze proberen mensen tot echte corruptie over te
halen. Ik moet helaas zeggen dat we het ook tegenkomen. Ook in
politie-organisaties ontdekken we zo nu en dan dat het er is. Dat
feit is op zich verontrustend. We zullen er geweldig achterheen
moeten zitten. Het is nu ook dat we er soms rekening mee houden,
dat wij soms dingen doen of laten omdat we weten dat corruptie in
ons bedrijf niet meer is uitgesloten. Noot Het gevoelen
dat politile corruptie een zeer ernstige zaak is en dat de ernst
hiervan zal groeien naarmate de belangen van de geldbedragen in het
criminele milieu toenemen was in maart 1990 voor de Recherche
Advies Commissie (RAC) reden om een werkgroep in te stellen die
onderzoek zou moeten doen naar de aard en de omvang van de
corruptie binnen de politie. In 1992 verscheen het advies van
Fijnaut aan deze commissie. Noot Dit advies was voor de
Rechercheschool Zutphen aanleiding om op 14 oktober 1993 een
studiedag te organiseren met als titel Politile corruptie in
Nederland: verschijningsvormen, achtergronden en
beheersingsstrategien Noot In 1991 wijdde het
tijdschrift Justitile Verkenningen, dat onder andere wordt
uitgegeven door het Wetenschappelijk Onderzoek en Documentatie
Centrum van het ministerie van Justitie (WODC), een themanummer aan
de betrouwbaarheid van de overheid. Dit nummer stond volledig in
het teken van politile corruptie, omdat het politieapparaat, door
het permanente contact met de criminele wereld, kwetsbaar is en
omdat de betrouwbaarheid van het politieapparaat een absolute
voorwaarde vormt voor haar optreden. De Raad van
Hoofdcommissarissen, waarvan een lid speciaal is belast met het
onderwerp integriteit, heeft eind 1994 een overzicht laten maken
van de maatregelen die in de verschillende korpsen in Nederland
worden genomen ter bestrijding van politile corruptie.
Noot De noodzaak voor dergelijke maatregelen werd kort
geleden nog onderstreept. In het voorjaar van 1995 verschenen
verschillende berichten in de pers waarin
vertrouwensfunctionarissen van twee grote korpsen in Nederland
stelden, dat er het een en ander grondig mis is met de integriteit
bij de politie. Andere korpsen hebben deze berichten inmiddels met
klem van de hand gewezen. Noot
lees meer
Bijlage V – 8.6 ConclusiesJanuary 1, 1999
8.6 Conclusies
1. Er is geen eenduidige regeling voor de inhoud van het
strafdossier. De bepalingen van artikel 152 e.v. Sv zijn geen
garantie voor voeging van de stukken in het dossier.
De officier van justitie is verantwoordelijk voor de inhoud van het
strafdossier. De rechter kan verlangen, al dan niet op verzoek van
de verdediging, dat stukken aan het dossier worden toegevoegd. Hij
beoordeelt de
relevantie van die stukken zonder deze te kennen.
2. De toepasbaarheid van de Wet persoonsregistraties op registers
die door de politie worden gehouden, alsmede op die van de
bijzondere opsporingsdiensten, maakt het geheel van de regelgeving
ondoorzichtig. 3. De korpsen zijn vrij bijna alle politieregisters
naar eigen inzicht in te richten. Uniformering ten behoeve van
landelijk gebruik is wel tot stand gekomen.
lees meer
Bijlage V – 8.5 Verstrekkingen ten behoeve van het bestuur
(bestuurlijke rechtshandhaving)January 1, 1999
8.5 Verstrekkingen ten behoeve van het bestuur (bestuurlijke
rechtshandhaving)
8.5.1 Inleiding
Onder bestuurlijke rechtshandhaving wordt verstaan het geheel
van bestuurlijke maatregelen dat kan worden aangewend ter
beheersing van de georganiseerde criminaliteit. In zijn
algemeenheid is het wenselijk om nauwe contacten (verstrengeling)
tussen overheid en het normale bedrijfsleven en de criminele
organisaties tegen te gaan.
lees meer
Bijlage V – 8.4 VerstrekkingJanuary 1, 1999
8.4 Verstrekking
8.4.1 Juridische grondslag
Wet politieregister
lees meer
<< oudere artikelen nieuwere artikelen >>