IX – De afvalverwerkingsbranche – 5.9. Samenvatting van
risico’s van de afvalbranche voor criminaliteitJanuary 1, 1999
5.9. Samenvatting van risico’s van de afvalbranche voor
criminaliteit
Het is tegen de in dit hoofdstuk beschreven achtergrond dat
zware milieucriminaliteit plaatsvindt. Het is dus niet zo, wellicht
ten overvloede, dat deze condities dwingend naar criminaliteit
leiden, maar dat zij de gelegenheid daartoe bieden aan die
afvalverwerkers die op illegale wijze en ten koste van het milieu
hoge verdiensten willen behalen. In deze jonge economische sector
die zo’n sterke groei heeft doorgemaakt, zijn blijkbaar nog geen
mechanismen werkzaam die als barrires fungeren om criminaliteit
binnen de branche te beperken. Aangezien de overheid juist in deze
bedrijfstak een beleid van zelfregulering, privatisering en sturen
op afstand heeft toegepast is deze branche bijzonder kwetsbaar voor
zware vormen van milieucriminaliteit. In deze afsluitende pagina
vatten wij de risico’s nog eens samen. De lezer is dan beter in
staat het behandelde in de volgende hoofdstuk in de juiste context
te plaatsen. Enkele risico’s van het optreden van
milieucriminaliteit in afvalketen zijn (zie ook CRI, 1992):
lees meer
IX – De verzekeringsbranche – 1. INLEIDINGJanuary 1, 1999
-
1. INLEIDING:
- ACHTERGROND EN OPZET VAN DE STUDIE
In Nederland komen de materile lasten van de criminaliteit voor
het grootste deel voor rekening van de verzekeringsmaatschappijen.
Burgers, bedrijven en instellingen verzekeren zich om schades te
herstellen en om verdwenen spullen te vervangen. De
verzekeringsmaatschappijen hebben in de loop van tientallen jaren
een zeer groot kapitaal aan verzekeringsgelden opgebouwd ter
dekking van de verzekeringsuitkeringen. Dit grote kapitaal vormt in
principe een aantrekkelijk doelwit voor criminele groepen. Door
middel van allerlei fraudes of door afpersing en intimidatie zouden
criminele groepen zich een deel van dat kapitaal op illegale wijze
kunnen toeigenen. Diverse, door de verzekeringsmaatschappijen zelf
in wereld gebrachte persberichten maken melding van grote verliezen
die verzekeringsmaatschappijen met enige regelmaat lijden als
gevolg van de (inter)nationale georganiseerde misdaad. Recentelijk
stelde een bestuurder van de ING-bank in een toelichting op de
presentatie van het jaarverslag: Het is een nationale sport
geworden om de verzekeringen op te lichten. Niet alleen door
individueel verzekerden, maar ook door de georganiseerde
misdaad (De
lees meer
IX – De wildlifebranche – LITERATUURJanuary 1, 1999
LITERATUUR
AID, Controlestaten NMF, 1991.
M. V. C. Aalders, Het handhavingsvraagstuk, in P. Glasbergen
(red.), Milieubeleid. Een beleidswetenschappelijke
inleiding, VUGA, ‘s-Gravenhage, 19944, p. 289-319.
M. V. C. Aalders, Handhaving en zelfregulering, in Justitile
Verkenningen, jaargang 20, 1994, p. 47-69. H. Abadinsky,
Organized crime, Nelson-Hall, Chicago, 19913. E.
A. I. M. van den Berg en W. Waelen, Politie en
milieuhandhaving, Gouda Quint, Arnhem, 1991. E. A. I. M. van
den Berg en A. Hahn, Politie, partners en milieu. Woorden en
daden, Gouda Quint, Arnhem, 1992.
lees meer
Eindrapport – 10.7 AanbevelingenJanuary 1, 1999
10.7 Aanbevelingen
10.7.1 Inleiding
In de democratische rechtsstaat vraagt elk optreden van bestuur,
justitie en politie een zo precies mogelijke wettelijke grondslag.
Bij de toepassing van strafrecht en strafvordering binnen de
democratische rechtsstaat kan het doel de middelen niet heiligen.
De toepassing van proportionaliteit en subsidiariteit moet
geschieden binnen de grenzen van wettelijke bevoegdheden en niet
daarbuiten.
lees meer
Eindrapport – 2.8 Vrije beroepsbeoefenarenJanuary 1, 1999
2.8 Vrije beroepsbeoefenaren
2.8.1 Aanleiding onderzoek
Vrije beroepsbeoefenaren, zoals advocaten, notarissen,
accountants en belastingadviseurs, kunnen een belangrijke
faciliterende rol vervullen voor de georganiseerde misdaad. Zij
zijn in staat de benodigde deskundigheid te verschaffen om
financile transacties te verrichten of zij kunnen dergelijke
transacties autoriseren. Daarnaast bieden de vrije
beroepsbeoefenaren goede mogelijkheden tot afscherming. Hun
betrokkenheid bij transacties kan de schijn van vertrouwen wekken;
de geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht bieden een
belangrijke bescherming aan de clinten. Vrije beroepsbeoefenaren
zijn om deze redenen aantrekkelijk voor de georganiseerde
criminaliteit.
lees meer
Eindrapport – 4.2 Vormen van observatieJanuary 1, 1999
4.2 Vormen van observatie
Onder observatie verstaat de commissie het gadeslaan van
bepaalde personen, objecten en situaties ten einde informatie te
verzamelen, al dan niet op de openbare weg of al dan niet in voor
het publiek toegankelijke ruimten. In haar onderzoek heeft de
commissie aandacht besteed aan verschillende vormen van observatie:
a. aftappen van telecommunicatie;
lees meer
Eindrapport – 7.1 InleidingJanuary 1, 1999
HOOFDSTUK 7 OMGAAN MET INFORMATIE EN INTERNATIONALE
OPSPORING
7.1 Inleiding
Naast observatie, het gebruik van informanten en infiltratie
onderscheidt de commissie enkele andere opsporingsmethoden die door
politie en justitie gehanteerd worden bij de opsporing en
vervolging van de georganiseerde criminaliteit. Het gaat dan om
informatie-inwinning bij derden, misdaadanalyse, fenomeenonderzoek
en financieel rechercheren. De commissie besloot aandacht aan deze
methoden te besteden aangezien in de praktijk van opsporing
frequent melding werd gemaakt van deze relatief nieuwe methoden van
onderzoek. Het gaat daarbij niet zo zeer om afzonderlijke methoden
van opsporing als wel om methoden ter structurering of verzameling
van informatie.
lees meer
Eindrapport – 9.4 De korpsleidingJanuary 1, 1999
9.4 De korpsleiding
9.4.1 Bevindingen
Veel – zij het niet alle – korpschefs hebben te weinig aandacht
gehad voor de ontwikkeling van bijzondere
opsporingsmethoden.
lees meer
fort2_104January 1, 1999
168 Het college van procureurs-generaal verklaarde zich op 3 september 1997 akkoord met dit voorstel.371 Een week later werd het eveneens besproken tijdens de overlegvergadering van de minister van Justitie met het college van procureurs-generaal. De secretaris-generaal die hierbij aanwezig was, stemde eveneens met het voorstel in en liet tevens in de notulen opnemen dat de minister in een vervolggesprek eveneens haar instemming met de conclusies had betuigd.372 Enkele dagen later reeds bleek de directe aanleiding tot de onderzoeksactiviteiten – de bedreiging van een officier van justitie – echter weggevallen te zijn. Blijkens een vertrouwelijke notitie van Klopper-Gerritsen d.d. 15 september 1997 waren de hypothesen omtrent een groep daders die een aanslag zouden voorbereiden op de bewuste officier van justitie op losse schroeven komen te staan.373 Het wegvallen van deze dreiging betekende ook het einde van de coördinatiegroep. Op 6 oktober 1997 vond een laatste bijeenkomst plaats in aanwezigheid van vertegenwoordigers van het college van procureurs-generaal, de arrondissementsparketten Alkmaar, Amsterdam en Haarlem en de BVD. Tijdens deze bijeenkomst werden afspraken gemaakt over het vervolg van een aantal onderzoeksactiviteiten. Van belang was in het bijzonder het voornemen om, onder leiding van officier van justitie Teeven, de criminele inlichtingendienst (CID) van het Kernteam Amsterdam (KTA) een analyse te laten maken van andere bedreiginggevallen van officieren van justitie. Aan het eind van 1997 moest worden bekeken of de bevindingen van de CID-analyse een verkennend onderzoek rechtvaardigden. De tweede belangrijke afspraak betrof de XTC-zaak en de liquidatie van Van der Heiden. Deze afspraak behelsde dat het Alkmaarse dossier de basis zou vormen voor vervolgonderzoek. De uitgifte van informatie uit het IRT-dossier moest worden afgestemd tussen Snijders en Teeven, onder de verantwoordelijkheid van de hoofdofficier van justitie te Amsterdam. De plaatsvervangend hoofdofficier van justitie te Amsterdam deed de toezegging na te zullen gaan waar dit onderzoek kon worden ondergebracht.374 7.4.2 De aanloop tot het “Schilderstraject” In hun rapport van 17 juni 1997 dat eerder werd besproken somden Snijders en De Wit meer dan twintig mogelijkheden op voor verder onderzoek. Hoewel de opties qua strekking en inhoud uiteenlopend van aard waren, valt op dat vele onderzoekssuggesties op enigerlei wijze te maken hadden met verdovende middelen transporten uit Zuid-Amerika. In de zomer van 1997 vond binnen het “team-Snijders” – dat op dat moment bestond uit het reeds genoemde tweetal en rijksrechercheur Schouten – een verdere verschuiving plaats in de richting van dit deel van de wereld. Aanleiding hiervoor waren gesprekken die door Schouten en De Wit werden gevoerd met de voormalige CRI- liaison, Van Stormbroek. De laatste gaf aan – mede op grond van zijn ervaringen in het buitenland en daartoe gemachtigd door de leiding van de CRI375 – dat verschillende bronnen, onafhankelijk van elkaar, hem te kennen hadden gegeven dat zij bereid waren om te praten met vertegenwoordigers van de Nederlandse overheid.376 Schouten vertelt het zo377: “De achtergrond van dit alles was, dat ik in september 1997 Ab van Stormbroek tegen het lijf liep. Ik zat toen op de kamer van De Wit bij de CRI voor het analyseren van het IRT-dossier. 371 Vastgestelde notulen van de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 3 september 1997 372 Notulen van de overlegvergadering van de minister van Justitie en het college van procureurs-generaal d.d. 10 september 1997 (C1). In het periodiek overleg met het landelijk parket op 12 september 1997 werd deze uitslag van het beraad door C. Ficq aan de orde gesteld. Zie “Enkele bespreek- en actiepunten periodiek overleg (1 op 1 met procureur- generaal Ficq)” d.d. 12 september 1997 (C1). 373 Notitie Klopper-Gerritsen d.d. 15 september 1997 aan C. Ficq e.a. (D21). 374 Vergelijk “Bespreking 6 oktober 1997” (D21). 375 Interview A. van Stormbroek d.d. 23 januari 2001. 376 Memo J. de Wit d.d. 25 augustus 1997 aan J. Snijders (D21). 377 Interview P. Schouten d.d. 9 februari 1997.
fort2_13January 1, 1999
77 “(…) indringend en voortvarend door te gaan waar het Fort-team is geëindigd Voorgesteld wordt om het werk gedurende 6 maanden intensief te doen en daarna de balans op te maken en verdere keuzes voor de aanpak te maken. Dan ook bestaat, naar het oordeel van de opstellers van deze notitie, beter zicht op de wenselijkheid c.q. de noodzaak om ook de BVD in te schakelen. Ook kan dan beter worden bekeken of het dan in te zetten traject van langere duur en/of (…) moet zijn.” Deze aanpak vloeide kennelijk niet alleen voort uit overleg tussen Docters van Leeuwen en Zwerwer, respectievelijk Holthuis en Zwerwer maar ook uit contacten tussen Zwerwer en zijn toekomstige teamchef Godlieb. Deze laatste zei in het interview67: “Ik kende Zwerwer als officier van justitie in Zwolle. Hij kwam in de zomer van 1996 naar mij toe met de mededeling dat hij een teamleider zocht voor een “tricky” onderzoek, een onderzoek dat politiek gevoelig lag en dat eventueel jaren kon duren, wellicht 3 à 4 jaar. Ik was toen ad interim plaatsvervangend korpschef van de regio IJsselland en heb dat met Jan Wilzing besproken. Het lag tamelijk moeilijk. Wilzing heeft me ook gewaarschuwd voor de risico’s, maar uiteindelijk zijn we er toch uitgekomen. Zwerwer had ook al een idee voor een tweede man en toen hebben we met z’n drieën gesproken over dat onderzoek. Want er lag met name geen duidelijke onderzoeksopdracht. Wij zijn toen bij Docters van Leeuwen geweest en die gaf ons duidelijk te kennen dat het voor hem echt niet alleen om de IRT- affaire ging, maar dat er volgens hem een veel breder vraagstuk aan de orde was. Voor ons was er in elk geval wel onmiddellijk de vraag: hoe krijgen we de opdracht helder en wat voor team is er nodig om die uit te voeren, hoe bouw je zo’n team? Ons idee was, gezien ook de vaagheid van de opdracht, om met een klein team, met hooggekwalificeerde medewerkers, te beginnen.” 3.2.2 Enkele belangrijke aanpassingen Zoals eerder werd aangegeven stuurde Holthuis twee dagen later een “enigszins aangepaste” versie van dit scenario aan de beide procureurs-generaal.68 De aanpassingen gingen evenwel verder dan de woordkeus in de aanbiedingsbrief suggereerde. Zij hadden bovenal betrekking op spoor 1 maar raakten natuurlijk als vanzelf het gehele scenario: — als een voordeel van de optie om het onderzoek te laten uitvoeren door het Groningse deel van het kernteam NON werd naar voren gebracht dat er in dit geval sprake was van een op elkaar ingespeeld team inclusief officier van justitie en teamleider; — bij de situering van het team in de buurt van Zwolle werd aangetekend dat dan ook de hoofdofficier Zwolle als kernteam-hoofdofficier van justitie van het kernteam NON de aangewezen hoofdofficier (zou) kunnen zijn; dan werd wel de directe koppeling tussen spoor 1 en spoor 2 losgelaten; die koppeling zou echter ook op het niveau van het college (portefeuillehouder Zwacri) gelegd kunnen worden; — een alternatief was om (een deel van) het LRT met het onderzoek te belasten, onder gezag van LBOM en onder leiding van een op het LBOM gedetacheerde zaaksofficier (…); het voordeel van deze optie was de koppeling met spoor 2; het nadeel was dat het LRT duidelijk in opbouw was en zo volledig werd bezet. 67 Interview A. Godlieb d.d. 1 februari 2001. 68 Brief H. Holthuis d.d. 21 juni 1996 aan A. Docters van Leeuwen (B8).
fort2_28January 1, 1999
92 grote rechercheonderzoeken, laat staan zulke van het formaat naar de IRT-affaire. Terecht vreesden zij ook dat zulk een onderzoek het LRT gemakkelijk het etiket van een justitiële politie of een tweede rijksrecherche zou bezorgen. Maar afgezien hiervan: met kracht van argumenten vreesden zij dat de twee sporen respectievelijk de twee teams gemakkelijk met elkaar in aanvaring konden komen over zowel de operationele doeleinden als de te volgen methoden. En hun pleidooi voor een heroverweging van de onderzoeksformule was geen slag in de lucht. Verder hadden zij het – al even begrijpelijk – ook moeilijk met de omzetting van het grote inhoudelijke doel in een operationele doelstelling die strafrechtelijk uitvoerbaar was. Moest hun team het vizier richten op de al dan niet vermeende groei-informant of op de verdachte politiemensen en de FIOD-man? En hoe moest het dit dan doen? Direct in hun richting terugrechercheren tot het begin van de jaren negentig was zo goed als uitgesloten: bewijs zou niet of nauwelijks nog te vinden zijn en het eventuele bewijs in bepaalde belangrijke schriftelijke bronnen – zoals het Fort-archief en het IRT-archief – mocht om uiteenlopende redenen (wellicht) niet worden aangewend. Er zat weinig anders op dan om een omweg te maken, te rechercheren via de tegenwoordige tijd, althans de tijd na 1995. Waarom het LRT er voor koos om het onderzoek eerst te oriënteren op de vermeende groei-informant en pas in een later stadium op de bedoelde ambtenaren is echter niet precies duidelijk. Het beriep zich voor deze keuze op een hele reeks van overwegingen en risicoschattingen. Maar welke kwesties hierbij een doorslaggevende rol hebben gespeeld kan niet worden afgeleid uit de stukken. Was het omdat het andere team zich al met name zou verdiepen in de integriteitkwesties? Was het omdat tactisch rechercheren op (voormalige) rechercheurs in een conflictueuze CID-omgeving sowieso uitermate moeilijk is? Waarom precies dan ook, feit is dat reeds in dit preliminaire stadium voorzichtig deze keuze werd gemaakt en dat deze keuze eveneens grote gevolgen heeft gehad voor de loop van het onderzoek. Bij het voorgaande mag overigens niet uit het oog worden verloren dat het college begin september eigenlijk voorbijging aan de obstakels die door het LRT en het LBOM waren opgeworpen. Het verweet deze beide instanties zelfs dat zij te defensief reageerden op het plan om hen het onderzoek te laten doen. In de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 4 september 1996 werd er in elk geval geen woord gewijd aan die problemen. Ter verdediging kan misschien worden aangevoerd dat in de versie van het onderzoeksplan die aan het college werd voorgelegd de belangrijkste gevolgtrekking van de oorspronkelijke auteurs niet was opgenomen, namelijk dat er alle reden was om de beslissing te heroverwegen óók Zwerwer een vervolgonderzoek te laten doen. Zodoende werd het college immers niet frontaal de spiegel voorgehouden die de auteurs hadden gemaakt van het gevoerde beleid en werd het – achteraf gezien: in het licht van de latere opheffing van het team – enigszins teveel gespaard op een moment dat nog een stap terug kon worden gezet. Wel werd zo – onbedoeld – een situatie geschapen die intrinsiek riskant was voor het gehele project: een team dat het andere team eigenlijk helemaal niet zag zitten. In het verlengde hiervan kan eveneens worden geconcludeerd dat het college in september 1996 evenmin expliciet werd geconfronteerd met een andere maar zeker zo belangrijke consequentie die de aanvankelijke auteurs hadden verbonden aan het gevoerde beleid, namelijk dat in de gegeven omstandigheden het onderzoek eerst en vooral zou moeten worden georiënteerd op de vermeende groei-informant en niet op de betrokken ambtenaren. In het algemeen wijzen deze twee voorbeelden op het probleem van de (zeker ook hier: goed bedoelde) selectieve informatievoorziening aan het college van procureurs- generaal. Gelet op de mogelijke gevolgen is dit vanzelfsprekend een belangrijk probleem. Het kan er toe leiden dat het beeld dat het college van bepaalde ontwikkelingen breed in het openbaar ministerie of, zoals hier, in bepaalde zaken heeft veel te rooskleurig is en dat hierom niet tijdig of niet adequaat wordt ingegrepen waar dit – nogmaals: met de wijsheid van achteraf – wellicht geboden zou zijn (geweest). Het college ging niet alleen voorbij aan de bezwaren die werden ingebracht tegen de gevolgde strategie, maar ook aan die tegen het besluit om het onderzoek te laten uitvoeren door een team van het LRT onder de leiding van Noordhoek en Entken samen met een team onder leiding van Zwerwer en Godlieb. Een belangrijk punt hierbij is niet alleen dat werd beslist om twee aparte teams te
fort2_42January 1, 1999
106 voor een strafrechtelijk onderzoek. Naar verwachting zal die voorbereidende fase begin 1997 zijn afgerond. Dan kunnen beslissingen worden genomen over het verdergaande tactische onderzoek.” Op de daaropvolgende vraag van Kamerlid H. Hillen of de minister ook bereid was de antwoorden op de 35 vragen uit het rijksrechercherapport aan de Kamer te sturen, antwoordde zij dat dit ervan afhing: als het strafrechtelijk materiaal was zou dat niet kunnen. Hierop repliceerde Hillen dat dit in een groot aantal gevallen niet zo hoefde te zijn en dat het antwoord op heel veel feitelijke vragen best naar de Kamer zou kunnen worden gestuurd. De minister zegde hierop toe dat ze die vragen zou beantwoorden als zij geen doorkruising vormden van een strafrechtelijk onderzoek. Dit zou misschien vertrouwelijk moeten gebeuren, afhankelijk van de aard van de gegevens.144 4.4 De aanpa lende onderzoeken Hiervoor werd reeds enkele keren aangehaald dat het 060-onderzoek, zeker voor insiders, raakvlakken had met diverse andere onderzoeken respectievelijk inlichtingen. Dit was natuurlijk ook het LBOM niet onbekend. Met het oog op de “afstemming in dit explosieve onderzoeksveld” nodigde Holthuis op 6 november de hoofdofficieren van justitie te Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Haarlem uit om de meest betrokken CID-officieren van justitie en/of zaaksofficieren van justitie af te vaardigen naar een vergadering waarop hieromtrent afspraken konden worden gemaakt.145 Met het oog op deze vergadering die uiteindelijk op 2 december 1996 plaatsvond bij het LBOM te Rotterdam werd door dit bureau een overzicht vervaardigd van de onderzoeken en berichten waarom het ging. Op dit overzicht prijkten in totaal 14 onderzoeken respectievelijk berichten. Uit de persoonlijke aantekeningen van een van de deelnemers aan deze vergadering – waarvan geen algemeen verslag werd gemaakt volgens de beschikbare archieven – kan worden opgemaakt dat niet alle onderzoeken meer actueel waren respectievelijk niet alle berichten op dat moment werden geëxploiteerd. Des te opmerkelijker is in zekere zin dat een van de voornaamste verdachten niet alleen werd aangemerkt als een object van onderzoek bij spoor 2 (onder de naam “MOT”) maar ook als object van onderzoek te boek stond bij de CID in Haarlem (“Diamant”) en bij de CID Haaglanden (“Pluto”).146 Bij dit overzicht moeten verder twee dingen worden aangetekend. Ten eerste dat het natuurlijk geen inzicht geeft in de omvang en/of diepgang van de betreffende onderzoeken respectievelijk gegevensstromen. En ten tweede dat het niet een volledige opgave bevat van alle relevante kwesties die in de omgeving van het 060-onderzoek speelden in die tijd. Juist omdat zij op het eerste oog weinig of niets te maken lijken te hebben met het 060- onderzoek is het van belang om hierna kort stil te staan bij de zaak-Swennen, het meineedonderzoek tegen L. en Van V., de affaire met “Haagse Kees” en de kwestie -Van T. Daarna zal worden bezien hoe het afliep met deze poging van Holthuis tot coördinatie van alle gerelateerde onderzoeken. 144 Tweede Kamer, 7 november 1996, TK 23, 23-1809/23-1810 (A1). 145 Brief H. Holthuis d.d. 6 november 1996 aan (de genoemde hoofdofficieren). Hij stuurde een kopie van deze brief aan A. Docters van Leeuwen en R. Gonsalves (B8). 146 Het betrokken overzicht kreeg geen bepaalde naam. Er staat alleen op dat het door LBOM werd vervaardigd. In de tekst is gebruik gemaakt van de versie van 2 december 1996 (C7). Dezelfde versie van dit overzicht bevindt zich in C1. Bij deze versie zit ook de versie van de agenda voor deze vergadering d.d. 29 oktober 1996.
<< oudere artikelen nieuwere artikelen >>